Top Qs
Tijdlijn
Chat
Perspectief
Chinese historiografie
Van Wikipedia, de vrije encyclopedie
Remove ads
De Chinese historiografie ofwel Chinese geschiedschrijving behandelt de geschreven interpretatie van de Chinese geschiedenis door Chinese historici. De Chinese historiografie kent een ononderbroken geschiedenis van meer dan 3000 jaar. Geschiedschrijving werd tot aan de val van het keizerrijk in 1912 tot een van de belangrijkste vormen van de Chinese literatuur gerekend.
Remove ads
Belang van de geschiedschrijving in China

In China was geschiedschrijving zeer belangrijk. Dit was een gevolg van het Chinese wereldbeeld. Men meende dat de kosmos bestond uit tegengestelde fasen van dezelfde 'energie', qi, fasen die elkaar voortdurend beïnvloedden. Al het bestaande, zowel kosmos en natuur als mens en maatschappij, was op die manier onderworpen aan dit ordeningsprincipe. Dat werd de Weg (dao) genoemd. Deze Weg werd zichtbaar in de veranderingen die door de voortgang van het heden werden veroorzaakt. Men meende in die veranderingen patronen te kunnen ontdekken. Het heden kon slechts zinvol worden verklaard als dat werd herkend als een herhaling van eenzelfde situatie uit het verleden. Gebeurtenissen dienden dan ook zo objectief mogelijk te worden vastgelegd. Alleen op die manier kon geschiedschrijving de spiegel zijn om het heden te kunnen duiden en alleen zo konden latere generaties van de geschiedenis leren.
Remove ads
De functie van optekenaar (shi)
Samenvatten
Perspectief
Ontstaan
Men meende dat de orde in kosmos, natuur en samenleving werd beïnvloed door het gedrag van de vorst. Van oudsher werden de woorden en daden van een vorst daarom door speciaal daarvoor aangestelde functionarissen genoteerd. Zij werden shi (史, "optekenaar") genoemd. In het hoofdstuk yuzhao (玉藻, "kleding en hoofdkappen gedragen door heersers") van de Optekeningen over de riten en in het Commentaar van mijnheer Zuo op de Lente- en herfstannalen is er sprake van een zuoshi (左史, "optekenaar aan de linkerzijde") en een youshi (右史, "optekenaar aan de rechterzijde"). Volgens de traditie noteerde de optekenaar aan de linkerzijde de daden en die aan de rechterzijde de woorden van de vorst. Overigens is die taakverdeling in het Boek van de Han precies omgekeerd. Mogelijk waren de eerste shi personen met een uitzonderlijk geheugen die belangrijke gebeurtenissen onthielden en navertelden in de vorm van verhalen en gedichten. De Japanse sinoloog Inaba Ichirō (稲葉, *1936) noemde hen in zijn Chūgoku shigakushi no kenkyū (中国史学史の研究, "Studie van de geschiedenis van de Chinese historiografie") gushi (瞽史, "blinde historici"), vergelijkbaar met Homerus. Zuo Qiuming (左丘明), genoemd als samensteller van het Commentaar van mijnheer Zuo op de Lente- en herfstannalen was volgens Shiji blind.
Vanaf het moment dat gebeurtenissen werden opgeschreven, werd de functie van shi complexer. Hun aantal nam toe en er ontstond een vorm van taakverdeling. Dit blijkt uit andere voor optekenaar gebruikte benamingen, zoals taishi (太史, "hoogste optekenaar"), dashi (大史, "grote optekenaar"), xiaoshi (小史 "kleine optekenaar") en yushi (御史, "hofoptekenaar"). De positie van shi was tot in de Hantijd erfelijk. Zo schreef Sima Qian, samensteller van Shiji, in zijn nawoord dat zijn voorouders al generaties taishi waren geweest.
Functie
Volgens Shuowen jiezi (說文解字), een etymologisch woordenboek uit de 2e eeuw na Chr. bestond een deel van het karakter 史 shi uit 中 zhong (centrum, midden), dat in verband werd gebracht met onpartijdigheid. De optekenaars moesten de gebeurtenissen met een zo groot mogelijke objectiviteit noteren. Tot in de 17e eeuw was dit de gangbare opvatting. Toen bracht Jian Yong (江永, 1681-1762) en later ook Wu Dacheng (吳大澂, 1835-1902), twee geleerden uit de "School van de Tekstkritiek" (考據學, Kaoju Xue) het begrip zhong in verband met de bamboelatjes waarop de gebeurtenissen werden genoteerd. In de 20e eeuw stelden Wang Guowei (王國維, 1877-1927) en de Japanse geleerde Naitō Torajirō (内藤 虎次郎, 1866-1934, ook bekend als Naitō Konan, 内藤 湖南) dat de shi behalve bij het optekenen van gebeurtenissen ook een rol hadden gespeeld bij de uitvoering van riten en ceremonies. In dat opzicht sloot hun functie aan bij die van een sjamaan (wu, 巫), die een rol speelde bij het doen van voorspellingen. Mogelijk was er zelfs sprake van een dubbelfunctie. In ieder geval noteerden de shi niet alleen menselijke gedragingen, maar ook bijzondere natuurverschijnselen. Dit had te maken met het in de Zhou- en Hantijd gangbare correlatiedenken, waarbij menselijk gedrag en gebeurtenissen in natuur en kosmos elkaar beïnvloedden, zodat natuurverschijnselen een voorspellend karakter kregen voor menselijke gedragingen. Een shi was op die manier niet alleen historicus, maar ook astroloog, een functie die, door hun vaak zeer nauwkeurige waarnemingen, allengs het karakter kreeg van een astronoom.
Onder de Oostelijke Han-dynastie (25-220 na Chr.) werd de officiële geschiedschrijving steeds meer een ambtelijk proces. Er kwam een onderscheid tussen optekenaars aan het hof en functionarissen die die optekeningen bewerkten tot de diverse hofkronieken. Onder de Tang-dynastie (618-907) werd, behalve dit proces, ook de wijze waarop de officiële dynastieke geschiedenissen uit de hofkronieken werden samengesteld in sterke mate geformaliseerd.
Shi wordt algemene benaming voor geschiedenis

Tussen het einde van de Han-dynastie (220) en het begin van de Tang-dynastie (618) verschoof de betekenis van de term shi allengs van aanduiding voor de persoon die optekende naar die voor zijn geschriften. Daarmee kreeg shi de abstracte betekenis van 'geschiedenis'. Voor zover bekend was Qiao Zhou (譙周, 199-270), functionaris in dienst van het Koninkrijk Shu (221-263), de eerste geleerde die shi in die betekenis gebruikte. Hij noemde zijn werk Gushi kao (古史考, "Onderzoek van oude historische werken"). Ook Ruan Xiaoxu (阮孝绪, 479-536), bibliograaf tijdens de Liang-dynastie (502-557) gebruikte shi in de betekenis van historische werken, toen hij rond 523 zijn catalogus Qilu (七錄, "zeven dossiers") samenstelde. Rond die tijd werd het tevens gebruikelijk de oudste drie officiële dynastieke geschiedenissen, (Shiji, Hanshu en Dongguan Hanji) sanshi (三史, "drie geschiedenissen") te noemen. Deze verschuiving in betekenis van shi had te maken met de forse toename van het aantal historische werken tijdens de periode tussen de Han- en Tangdynastie. Ban Gu noemde in zijn yiwen zhi (藝文志. "Verhandeling over kunst en literatuur", het bibliografisch hoofdstuk van Hanshu), slechts twaalf werken die hij beschouwde als voortzetting van de hofkroniek Lente- en Herfstannalen Daarentegen staan in Jingji zhi (經籍志, "Verhandeling over klassieken en boeken" van het Boek van de Sui onder de categorie shibu (史部, "geschiedenis") 874 titels vermeld.
Remove ads
Afbakening van het terrein van de historiografie
Samenvatten
Perspectief
Afbakening van de historiografie van de overige vormen van literatuur

De eerste Chinese systematische bibliografie stamt uit de eerste eeuw v.Chr. In zijn Qilüe (七略, "Zeven samenvattingen") wilde Liu Xiang (77-6 v.Chr.) door een indeling van de literatuur komen tot een algemene ordening van kennis. Geschiedschrijving werd door hem niet beschouwd als een aparte categorie. Er bestond eigenlijk geen onderscheid tussen literatuur (wen, 文) en geschiedenis (shi, 史). De grondbetekenis van wen was een regelmatig terugkerend patroon. Literatuur moest door ordening de Weg in een schijnbaar chaotische werkelijkheid zichtbaar maken. Dit kon alleen als in de literatuur ware gebeurtenissen werden beschreven. Die eis maakte feitelijk alle literatuur tot een vorm van geschiedenis. Ban Gu beschouwde in zijn in Hanshu opgenomen yiwen zhi (藝文志, "verhandeling over literatuur") alle opgenomen werken nog als commentaren op de Confucianistische Klassieken. Zo werd Shiji gezien als een voortzetting van de Lente- en herfstannalen. Wel ontstond er door deze visie een spanning tussen de noodzaak tot objectiviteit en het toch ook wel belangrijk gevonden didactische en morele aspect van geschiedschrijving. Net zo goed als er bij proza en poëzie een spanning bestond tussen oprechte gevoelens en didactische doelen gold dat ook voor geschiedschrijving.
In de loop van de 3e en 4e eeuw na Chr. ontstond door de toename van het aantal werken een nieuwe ordening van de literatuur. Vooral door toedoen van Xun Xu (荀勖, 221-289), keizerlijke bibliothecaris en Li Chong (李充, fl begin 4e eeuw), kristalliseerde die ordening zich uit in vier hoofdcategorieën. De Confucianistische Klassieken bleef men beschouwen als basis van de literatuur. Zij vormden met hun commentaren de eerste hoofdcategorie van de literatuur, jingbu. Hoewel men geschiedschrijving bleef zien als een voortzetting van specifiek historische aspecten van de Klassieken, kregen de historische werken binnen de literatuur wel een eigen, tweede hoofdcategorie, shibu. Vakliteratuur werd geplaatst in een derde hoofdcategorie, die van de 'leermeesters en de filosofen', zibu. Bellettrie in de vorm van bloemlezingen en verzameld werk, kwam in een vierde hoofdcategorie, jibu.
Door keizer Wen (r. 424-453) van de Liu Song-dynastie werd de studie van de geschiedenis (史學, shixue) tot een van de vier onderdelen van het officiële leerprogramma voor aankomende ambtenaren gemaakt, samen met de studie van het confucianisme (儒學, ruxue), de literatuur (文學, wenxue) en de xuanxue, (玄學, "duistere leer"), de toen gangbare vorm van het daoïsme.
De viervoudige indeling van de literatuur in klassieken, geschiedenis, vakliteratuur en bellettrie wordt tot op heden gebruikt. De vier categorieën werden onderverdeeld in rubrieken, die in de loop van de tijd steeds fijnmaziger werden. Die onderverdeling is terug te vinden in de catalogi van de keizerlijke bibliotheek, die werden toegevoegd aan een groot aantal officiële dynastieke geschiedenissen. In Siku quanshu (四庫全書, "Volledige verzameling boeken uit de vier schatkamers van de keizer"), de in 1782 gepubliceerde catalogus van verschenen literatuur is de categorie geschiedschrijving (shibu) onderverdeeld in 15 rubrieken.
Tot de hoofdcategorie geschiedschrijving werden ook specialistische werken over chronologie, de kalender en (historische) geografie gerekend. Vooral de regionale geografische handboeken (difangzhi, 地方志, 'local gazetteers') zijn als historische bron van groot belang. Zij bevatten gegevens over de bestuurlijke indeling, lokale economie, cultuur en belastingheffing, maar ook biografieën van plaatselijke hoogwaardigheidsbekleders. De onderdelen van de derde hoofdcategorie, die van de 'leermeesters en filosofen' (zibu) werden formeel niet gerekend tot de geschiedschrijving. Toch bevatten ook zij, inhoudelijk gezien, belangrijk historisch materiaal. Dit geldt vooral voor de traditionele Chinese encyclopedieën (leishu, 類書, letterlijk: 'gerubriceerde zaken'), die in feite omvangrijke bronnenverzamelingen zijn.
Particuliere geschiedschrijving

Naast de officiële geschiedschrijving bleef er ook een geschiedschrijving door particulieren bestaan. Voor dit soort geschiedenissen bestond een groot aantal termen om ze te kunnen onderscheiden van zhengshi (正史), de officiële geschiedschrijving. De belangrijkste vormen waren:
- bieshi (別史), 'afzonderlijke geschiedenissen', waren weliswaar geen officiële geschiedenissen, maar werden toch gezien als kwalitatief hoogstaand.
- zaiji (載記), 'gelijktijdige optekeningen', beschrijft de geschiedenis van staten die niet als legitiem werden beschouwd).
- shichao (史鈔), uittreksels uit de officiële dynastieke geschiedenissen.
- zashi (雜史), 'diverse geschiedenissen'. Deze groep is vooral van belang door de grote verscheidenheid aan behandelde onderwerpen.
Geschiedschrijving en fictie
In China ontbrak geschiedschrijving in de vorm van een narratief (samenhangend verhaal). Wel zijn er sinds de 16e eeuw historische romans geschreven. Zij volgden het historisch raamwerk van Zizhi tongjian (資治通鑒, "Doorlopende spiegel tot hulp bij het bestuur") door Sima Guang (司馬光, 1019–1086) uit 1084, maar waren afkomstig uit de orale literatuur. Die was gesteld in het baihua, de spreektaal en niet in het wenyan, de klassieke schrijftaal. Zij werden door de geletterde bovenlaag slechts gezien als fictie en behoorden daarom stricto sensu noch tot de geschiedschrijving noch tot de literatuur. Siku quanshu laat ze dan ook weg. Desondanks was hun invloed op het beeld dat men in China van de eigen geschiedenis had bijzonder groot. Het bekendste voorbeeld is de nog steeds veel gelezen Roman van de Drie Koninkrijken.
Remove ads
Historiografische ontwikkeling tot aan de eenwording van 221 v.Chr.
Samenvatten
Perspectief
Orakelbotten en inscripties

De oudst bekende geschreven Chinese historische bronnen dateren uit de 13e eeuw v.Chr. Het zijn inscripties op orakelbotten. Daar werden schouderbladen van runderen en buikschilden van zoetwaterschildpadden voor gebruikt. De vaak korte teksten bestaan uit stellingen die aan een orakel werden voorgelegd. Na verhitting werd uit de vorm van de barsten het antwoord geduid. Soms werd het resultaat van de duiding in de vorm van de uiteindelijke uitkomst genoteerd. Uit de late Shang-tijd, maar vooral uit de westelijke Zhou-tijd stammen verder bronzen vaten met aan de binnenzijde inscripties over bezittingen, benoemingen, schenkingen en overdrachten.
Verzameling
Mogelijk als geheugensteun bij bepaalde rituelen werden gebeurtenissen aan het hof opschreven, genealogische lijsten samengesteld en rituele gezangen genoteerd. Gebeurtenissen werden strikt chronologisch, in de vorm van annalen (ji, 紀) opgeschreven. Deze vorm van historiografie werd biannianti (編年體, "van jaar tot jaar") genoemd. Vanaf de oostelijke Zhou-tijd werden deze teksten verzameld. Later werden die teksten steeds opnieuw voorzien van commentaar en later ook van sub-commentaren. Politieke opvattingen van het moment dat het commentaar werd toegevoegd, konden zo vanuit het verleden worden gerechtvaardigd.
De "Honderd Scholen"
De periode van de Strijdende Staten (475-221 v.Chr.) was een tijdvak van diepgaande sociaal-economische, politieke en culturele veranderingen. De maatschappelijke structuren die tijdens de Westelijke Zhou-dynastie waren gevormd vielen uit elkaar. Die ingrijpende maatschappelijke veranderingen stimuleerden het nadenken over staat en maatschappij. De heersers van de verschillende staten wilden hun macht ook in de voor hen nieuwe situaties consolideren of zelfs uitbreiden. Zij hadden dan ook voortdurend behoefte aan advies hoe te moeten handelen. De zesde tot en met de derde eeuw v.Chr. vormde zo een bloeitijd van wijsgerige, sociale en politieke ideeën en wordt daarom de periode van de Honderd Scholen van de Chinese filosofie genoemd. Het idee van een indeling in herkenbare en onderling van elkaar verschillende scholen is echter een constructie achteraf. Zo is er een indeling in zes scholen door Sima Tan (†110 v.Chr.) die dateert uit het einde van de tweede eeuw v.Chr. Hoewel dit vaak wordt gedaan, mag die indeling niet zonder meer worden toegepast op de zesde tot en met de derde eeuw v.Chr. Slechts bij Confucius (551-479 v. Chr.) en Mozi (fl. 479-438 v.Chr.) kan worden gesproken van een (enigszins) geformaliseerde schoolvorming, dat wil zeggen een leraar die een groep leerlingen onderwees.
Iedere filosoof had zijn eigen visie op de mogelijke ontwikkeling van de maatschappij. Die visie beïnvloedde uiteraard zijn mening over de rol en betekenis van geschiedenis. Het ging bij die rol steeds om de vraag hoe geschiedenis als waarneembare neerslag van menselijk gedrag uit het verleden kon dienen als leidraad voor het huidige handelen.
- Volgens de Confucianisten en Mohisten had geschiedschrijving een doel, het maakte een patroon zichtbaar achter de daden van de mensen:
- Voor Confucius had kennis van de geschiedenis voor iedereen een moreel verheffende functie.
- Mencius (371-289 v.Chr.) erkende die moreel verheffende functie ook, maar volgens hem had geschiedenis een cyclisch patroon.
- Ook volgens Mozi maakte geschiedenis de vooruitgang van de mensheid zichtbaar. Uit een "maatschappelijk contract" tussen bestuurders en onderdanen zou zich een steeds groter wordende politieke en sociale stabiliteit ontwikkelen.
- Voor Daoïsten was geschiedenis niets meer dan een door de natuur bepaald proces waar geen betekenis aan werd gehecht. Geschiedenis liet slechts een voortdurende inperking van de individuele vrijheid van mensen zien.
- Volgens legalisten als Han Feizi (280-233 v.Chr.) ontwikkelde de mensheid zich voortdurend naar een hoger niveau, waardoor vergelijkingen met situaties uit het verleden onmogelijk en daarmee zinloos werden. Kennis van het verleden had daarom geen nut voor begrip van het heden of van de toekomst.
Belangrijkste historische werken uit de Zhou-tijd
De historische werken die gedurende de (late) Zhou-tijd zijn samengesteld kunnen worden onderverdeeld in vijf categorieën:
- Annalen en kronieken: biannianti als de oudste hoofdvorm van historiografie.
- Bundeling van documenten.
- Regionale geschiedenissen.
- Biografieën.
- Verhandelingen over speciale onderwerpen.
Eerste hoofdvorm van de Chinese historiografie: annalen (biannianti)
Drie werken uit de Zhou-tijd zijn karakteristiek voor geschiedschrijving in vorm van annalen:
- Zhushu jinian (竹書紀年, Bamboe-annalen vormen de oudst bekende kroniek over de gehele geschiedenis van China. Het werk omvat de periode van de mythische periode van de Vijf Oerkeizers (traditioneel geplaatst in het 3e millennium v.Chr. en beginnend met Huang Di) tot aan 299 v.Chr. Van de oorspronkelijke tekst zijn slechts reconstructies overgebleven. Een in de Ming-tijd samengestelde versie gold onder het keizerrijk als authentiek, maar werd na 1912 beschouwd als een vervalsing.

- Chunqiu (春秋, Lente- en herfstannalen) vormen een kroniek van de staat Lu voor de periode 722-481 v.Chr. die traditioneel werd toegeschreven aan Confucius. Hij zou in de uiterst beknopte tekst door subtiel woordgebruik zijn voorkeur voor of afkeer van bepaalde gebeurtenissen of gedragingen hebben gegeven (baobian, 褒貶, "lof en blaam"). Om dit te achterhalen ontstonden er in de 3e eeuw vier uitgebreide en gedetailleerde commentaren op de Lente- en Herfstannalen. Hiervan zijn er nog twee over, Gongyang Zhuan (公羊傳, Commentaar van Gongyang) en Guliang Zhuan (穀梁傳, het Commentaar van Guliang). Zij interpreteerden gebeurtenissen en personen vanuit het principe van "lof en blaam". Verder werden kosmologische aspecten en gebeurtenissen uit de natuur toegevoegd die in relatie zouden staan met de beschreven historische gebeurtenissen. Beide werken zijn na mondelinge doorgifte vanaf het midden van de 2e eeuw v.Chr. (dus tijdens de Han-dynastie) op schrift gezet.
- Zuozhuan (左傳, "commentaar van mijnheer Zuo) was oorspronkelijk een kroniek van de staat Jin voor de periode 805-454 v.Chr. (met nadruk op 722-468 v.Chr.), maar werd in de Han-tijd bewerkt tot een commentaar op de Lente en herfstannalen. Die Annalen beperkten zich tot politieke en militaire zaken, terwijl Zuozhuan ook economische, sociale en wijsgerige onderwerpen bevatte. Ook werd in Zuozhuanelke opgenomen gebeurtenis beschreven in de vorm van een compleet essay. De samensteller geeft meer dan 50 maal eigen commentaar op een gebeurtenis, dat hij steeds vooraf laat gaan door de woorden junzi yue (君子曰, "de junzi merkt op"). Ook de kijk op de geschiedenis verschilde. Volgens Zhuozhuan konden door de afbraak van de oude orde nieuwe politieke, economische en sociale verhoudingen ontstaan met nieuwe mogelijkheden. De beide commentaren op de Annalen zagen dezelfde periode slechts als vernietiging van de oude maatschappelijke orde, met name veroorzaakt door het verval van de macht van de Zhou-koningen en het ineenstorten van de door hen ingestelde maatschappelijke verhoudingen.
Bundeling van historische documenten

- Het oudst bewaarde voorbeeld van een bundel historische documenten in de Chinese historiografie is het Boek der Documenten, een verzameling keizerlijke decreten, toespraken, verklaringen en politieke theorieën. De oudste teksten stammen van de bundel uit de Westelijke Zhou-periode. De documenten gaan over de mythische tijd, de Xia-, Shang- en Zhou-dynastie. De inhoud werd lang gezien als een authentieke weergave van het verleden, waardoor het werk in China een grote invloed had op het beeld van de eigen geschiedenis. Yan Ruoqu (閻若璩, 1636-1704) heeft in zijn Shangshu guwen shuzheng (尚書古文疏証, "Onderzoek naar de authenticiteit van de oude tekst van de Shangshu") echter aangetoond dat delen van het Boek der documenten vervalsingen uit de 4e eeuw na Chr. waren.
- Een vergelijkbaar werk was Yi Zhoushu (逸周書, "Toegeschreven geschiedenis van de Zhou"), ook bekend als Zhoushu (周書, "Geschiedenis van de Zhou"). De documenten zijn samengesteld vanaf de 4e eeuw v.Chr. en behandelen de periode van de 11e tot het begin van de 6e eeuw v.Chr.
Regionale geschiedenissen
De twee belangrijkste werken uit deze categorie zijn Guoyu (國語, "Gesprekken der Staten" ) en Zhanguoce (戰國策, "Plannen der Strijdende Staten").
- In de "Gesprekken der staten" worden gebeurtenissen beschreven uit acht staten: Zhou, Lu, Qi, Yin en Zheng die rond de Gele Rivier liggen en Chu, Wu en Yu rond de Jangtsekiang. De teksten bestaan uit citaten van gesprekken die belangrijke personen uit die staten zouden hebben gevoerd. Historiografisch is dit werk van belang omdat het de oudst bekende regionale geschiedenis is en omdat geschiedenis als vertelling wordt gepresenteerd. Bovendien was de stijl er een van 'laat de feiten voor zich spreken'. Dit laatste betekende overigens niet dat de beschreven gebeurtenissen ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.
- De "Plannen der Strijdende Staten" lijken in opbouw en samenstelling op Guoyu, maar de behandelde thema’s beperken zich tot politieke, militaire en diplomatieke zaken. Het werk beschrijft gebeurtenissen in twaalf staten voor de periode van het midden van de 5e eeuw tot het einde van de 3e eeuw. Dit gebeurt in de vorm van voorstellen die filosofen aan de verschillende heersers deden. De titel van dit werk ligt ten grondslag aan de naam van het tijdvak, de Periode van de Strijdende Staten (475-221 v.Chr.). In december 1973 is in een graf in Mawangdui (in Changsha, hoofdstad van de provincie Hunan) een nieuwe versie van Zhanguo ce gevonden. Meer dan 60% van die versie wijkt af van tot dan toe bekende versie. Het gevonden werk had geen eigen titel en staat nu bekend als Zhanguo zongheng jia shu (戰國縱橫家書, "Boek van de strategen van de Strijdende Staten").
Biografieën
Binnen deze categorie ontwikkelden zich twee varianten:
- Shiben (世本, "Genealogische optekening"), een genealogisch overzicht van keizers, koningen, leden van de aristocratie en belangrijke functionarissen uit de periode van de mythische Gele Keizer (traditioneel 2698 v.Chr.) tot aan 481 v.Chr.
- Nianpu (年譜, "Chronologische biografie") bevat een gedetailleerd overzicht van activiteiten van een persoon. De volgorde van de gebeurtenissen is strikt chronologisch, de manier van beschrijven bondig. Zo gaat Mu Tianzi Zhuan (穆天子傳, "Chronologische biografie van koning Mu", ook bekend als Zhou wang youxing ji, 周王遊行記, "Reisverslag van de koning van Zhou") over de Zhou-koning Mu (r.976-922 v.Chr.).
De nog bestaande versies van zowel Shiben als van Mu Tianzi Zhuan zijn latere reconstructies op basis van bewaard gebleven fragmenten van de oorspronkelijke werken.
Verhandelingen

De oudste voorbeelden uit de categorie verhandelingen zijn:
- Shanhai jing (山海經, "Boek van de bergen en de zeeën"), een verzameling verhalen en mededelingen over planten, dieren en gebieden met hun delfstoffen. Ook worden etnische groeperingen en hun religieuze voorstellingen beschreven. Het werk is oorspronkelijk geschreven in de vierde eeuw v.Chr. De huidige versie bevat veel toevoegingen van latere datum, veelal uit de tweede eeuw v.Chr.
- Yugong (禹貢, "Tribuut van koning Yu") beschrijft de geografie, cultuur en economie van de negen provincies waarover koning Yu de Grote, stichter van de Xia-dynastie zou hebben geregeerd. Het was oorspronkelijk een zelfstandig werk, samengesteld in de vierde eeuw (v.Chr.), maar werd een eeuw later opgenomen als een hoofdstuk in het Boek der Documenten.
Het genre van de verhandeling kwam tot bloei in Shiji en de daarop volgende officiële dynastieke geschiedenissen en kan worden beschouwd als een voorloper van de traditionele Chinese encyclopedie.
Eerste aanzet tot historische reflectie
Sommige hoofdstukken van de genoemde werken geven een reflectie op historische gebeurtenissen of personen. Dit geldt met name voor het "Commentaar van mijnheer Zuo". In Lüshi chunqiu (呂氏春秋, "Lente en herfst van mijnheer Lü") geeft de samensteller, Lü Buwei (fl. 285-235 v.Chr.) zijn visie weer over historische gebeurtenissen, zijn ideeën over de aard en het patroon van de geschiedenis en over de krachten die de geschiedenis deden bewegen. Ook in de werken van Mencius, Xun Qing en Han Feizi zijn sporen van historische reflectie. Zo stelde Mencius dat het beter was om het zonder het Boek der Documenten te stellen dan geloof te hechten aan het gehele boek (jinxin "shu" zebu ruwu "shu", 盡信《書》,則不如無《書》, De Mencius, VII.B.3).
Remove ads
Historiografische ontwikkeling onder de Han-dynastie, 221 v.Chr. – 220 na Chr.
Samenvatten
Perspectief
Tijdens de Han-dynastie zijn meer dan 300 historische werken samengesteld. De twee belangrijkste werken waren Shiji ("Optekeningen van de hofhistoriograaf"), samengesteld door Sima Qian (c. 145- c. 87 v.Chr.) en Hanshu ("Boek van de Han), samengesteld door Ban Gu (32-92 na Chr.).
Shiji (Optekeningen van de hofhistoriograaf)
Tweede hoofdvorm van de Chinese historiografie: combinatie van annalen en biografieën (jizhuanti)

Shiji was de eerste Chinese algemene geschiedenis van China. Het werk begon met de Gele Keizer (traditioneel 2698 v.Chr) en liep door tot in de regering van keizer Wu (regeerde 141-87 v.Chr.). Sima Qian paste in zijn werk twee vernieuwingen toe. Behalve de traditionele vorm van de annalen bevatte Shiji ook verhandelingen en exemplarische overleveringen (biografieën). Deze vorm van geschiedschrijving werd naar de twee hoofdbestanddelen jizhuanti (紀傳體, "annalen-biografie") genoemd en vormde na biannianti ("annalen") de tweede hoofdvorm van de Chinese historiografie.
Shiji bestaat uit vijf onderdelen, die elk op een bepaalde manier tegen de geschiedenis aankeken. Deze indeling vormde het voorbeeld voor de later samengestelde officiële dynastieke geschiedenissen:
- Benji ('basisannalen'): keizerlijke biografieën in strikt annalistische vorm.
- Shijia ('erfelijke geslachten'): genealogische overzichten van de adellijke families.
- Biao: chronologische tabellen.
- Shu: verhandelingen over gebieden van staatsbemoeienis. Het gaat hierbij om zaken van politiek of maatschappelijk belang, zoals riten, muziek, de kalender, irrigatie en de economie.
- Liezhuan: exemplarisch opgestelde biografieën. Die kunnen individueel of collectief van aard zijn. In het laatste geval zijn de beschreven personen in categorieën geplaatst.
Aan het eind van elk hoofdstuk leverde Sima Qian commentaar, dat steeds begon met taishi gong ye (太史公曰, "de hofhistoricus merkt op"). Dit was vergelijkbaar met de wijze waarop de samensteller in het Commentaar van mijnheer Zuo op de Lente- en herfstannalen zijn opmerkingen aan de beschreven gebeurtenissen had toegevoegd.
Geschiedopvatting van Sima Qian
Volgens Sima Qian vormde geschiedenis het geheel van eerdere menselijke handelingen, die op scheppende wijze op elkaar hadden ingewerkt. De uit dit proces voortgekomen beschaving was in overeenstemming met de Weg, de kracht die steeds het heden creëerde en zo vorm gaf aan de geschiedenis. Geschiedschrijving was de optekening van gebeurtenissen uit het verleden, maar was ook het noteren van verhalen over mensen die opvielen door bijzondere daden of unieke eigenschappen, zowel in positieve als in negatieve zin. Het doel van geschiedschrijving was om de mensen in het heden te adviseren, te onderwijzen en te vermanen. Een historicus moest dus niet alleen optekenen, maar ook het gedrag van mensen uit het verleden beoordelen. Verder moest het patroon van de kracht die de geschiedenis deed bewegen worden achterhaald. Dit alles betekende dat geschiedschrijving meer was dan alleen het weergeven van feiten. De historicus moest details toevoegen die hem van belang leken en hij diende de beschreven gebeurtenissen ook te interpreteren.
Boek van de Han (Hanshu)
Het werk

Het Boek van de Han (Hanshu) omvat de geschiedenis van de westelijke Han-dynastie en de periode van Wang Mang (206 v.Chr-23 na Chr.) De belangrijkste samensteller was Ban Gu (32-92). Het werk volgt de structuur van Shiji, zij het met enkele kenmerkende verschillen. Zo werd de categorie verhandelingen uitgebreid en werd de categorie erfelijke geslachten verwerkt in de biografieën. Omdat het werk slechts één dynastie beschreef, werd Hanshu het eigenlijke voorbeeld voor de latere officiële dynastieke geschiedenissen.
Geschiedopvatting van Ban Gu
Hoewel Ban Gu de opbouw van Sima Qian volgde, had hij een andere kijk op geschiedenis en geschiedschrijving. Het verloop van geschiedenis was volgens hem in overeenstemming met de wil van Hemel. Verschijnselen in kosmos en natuur maakten die wil van de Hemel zichtbaar en dienden zo als leidraad voor menselijk handelen. De historicus moest daarom niet alleen de menselijke activiteiten noteren die hij het opschrijven waard vond, maar diende ook bijzondere natuurverschijnselen te vermelden. Op die manier kon men zowel in het heden als in de toekomst leren van het verleden.
Volgens Ban Gu moest geschiedschrijving het verleden zo objectief mogelijk optekenen, het kon geen subjectieve bezigheid zijn. Ook hierin verschilde hij met Sima Qian. Wel gold voor Ban Gu dat de in zijn ogen objectieve optekening het resultaat was van een keuzeproces. De criteria die hij bij zijn keuzes hanteerde kwamen voort uit het correlatiedenken, de in de Han-tijd gangbare eclectistische vorm van het Confucianisme zoals uitgewerkt door Dong Zhongshu (179-104 v.Chr.).
Annalen en kronieken
De twee belangrijkste werken van dit genre uit de Han-tijd waren:
- Chu Han chunqiu (楚漢春秋, "Lente en Herfst van Chu en Han") beschrijft de strijd tussen Liu Bang (247-195) en Xiang Yu (232-202) tijdens de periode 206-202 v.Chr., de overgangsperiode van de Qin naar de Han-dynastie. Het werk is samengesteld door Lu Jia (陸賈, c.250-175 v.Chr.).
- Qianhanji (前漢紀, "Beknopte geschiedenis van de Han-dynastie') beschrijft de periode 206 v.Chr – 23 na Chr. en is samengesteld door Xun Yue (荀悅, 148-209 na Chr.). Het werk volgde de principes van de Lente- en Herfstannalen en is door het gebruik van andere bronnen een belangrijke aanvulling op Hanshu. De commentaren die Xun Yue zelf aan de beschreven gebeurtenissen toevoegde, maken ongeveer 10% van het totale werk uit. Het werk is samengesteld omdat de keizer een versie van de geschiedenis van de (vroege) Han wenste die beter hanteerbaar was dan Hanshu.
De annalistische stijl zal onder de Song-dynastie (960-1279) een hoogtepunt bereiken met Sima Guang (1019-1086) en zijn 294 delen tellende Zizhi tongjian (資治通鑑, "Doorlopende spiegel tot hulp bij het bestuur").
Regionale geschiedenissen
Tot deze categorie behoren twee werken die de geschiedenis van de staten Wu en Yue aan de benedenloop van de Yangtze gedurende de 5e eeuw v.Chr. beschrijven. In beide werken zijn de gebeurtenissen vanuit bestaande bronnen opnieuw beschreven, maar er werd ook gebruik gemaakt van plaatselijke tradities, overleveringen en legendes. Gevolg was een fantasierijke navertelling. De beide werken zijn:
- Wu Yue Chunqiu (吳越春秋, "Lente en Herfst van Wu en Yue"), samengesteld door Zhao Ye (†83 na Chr.).
- Yue jue shu (越絕書, "Boek van de geschiedenis van Yue") stamt uit 52 na Chr. en is samengesteld door Yuan Kang (袁康).
Nieuwe genres
Tijdens de Han-dynastie ontstonden binnen de historiografie twee nieuwe genres, staatsgeschiedenis en vrouwengeschiedenis. Beide genres zijn begonnen door Liu Xiang (79-8 v.Chr.).
Staatsgeschiedenis
Shuoyuan (說苑, "Gaarde van overredingen") is een historisch overzicht van ideeën met betrekking tot bestuur en militaire zaken voor de periode 722-222 v.Chr. De samensteller Liu Xiang plaatste die ideeën in hun historische en politieke samenhang door de relaties tussen de verschillende staten te beschrijven.
Vrouwengeschiedenis
Lienü Zhuan, 列女傳 ("Biografieën van voorbeeldige vrouwen") bevat biografieën van 105 vrouwen uit de periode van de mythische tijd tot en met die van de Strijdende Staten. Net als voor Sima Qian vormde ook voor Liu Xiang de biografie als exemplarische overlevering een les voor het heden. Hij groepeerde de 105 vrouwen op basis van morele criteria in zeven categorieën, lopend van de moreel verheven 'modelmoeder' tot de moreel verwerpelijke vrouw die haar echtgenoot in het verderf stortte. Lienü zhuan is een belangrijke bron voor de sociale geschiedenis. Uit het werk blijkt dat in het China van de Han-tijd vrouwen door hun sociale status, hun niveau van onderwijs en hun politieke macht een veel grotere rol speelden dan in de tijd daarna. Dit bleek bijvoorbeeld uit de positie van Ban Zhao (c.48-c.120), zus van de historicus Ban Gu. Zij maakte Hanshu af, nadat haar broer in 92 in de gevangenis was overleden. Verder had zij Nüjie (女誡, "Aansporingen voor vrouwen") voor haar dochters samengesteld, waarin zij aangaf hoe zij zich in de maatschappij dienden te gedragen.
Remove ads
Historiografische ontwikkeling onder de Zuidelijke en Noordelijke Dynastieën en de Tang, 220-960
Samenvatten
Perspectief
Tussen 220 en 960 zijn meer dan 1100 historische werken verschenen.
Opvattingen over geschiedenis
Net als in de voorafgaande periode bleef men ook in deze periode geschiedenis zien als leidraad voor het heden. Gebeurtenissen uit het heden zouden kunnen worden verklaard uit het patroon van de geschiedenis. Geleerden zoals Liu Yiqing (劉義慶, 403-444), Han Yu (韓愈, 768-824) en Liu Zongyuan (柳宗元, 773-819) stelden zich bij hun pogingen dat patroon te achterhalen de vraag of maatschappelijke veranderingen werden veroorzaakt door abstracte, onpersoonlijke krachten of door individueel menselijk handelen. Voor aanhangers van de laatste visie vormden biografieën de belangrijkste vorm van geschiedschrijving. Zij beschreven immers op exemplarische wijze het leven van individuen. Onder invloed van het in deze periode zeer belangrijk geworden boeddhisme werd verder nagedacht over de relatie tussen noodlot en vrije wil in de geschiedenis dat zo zijn neerslag in de geschiedschrijving vond.
Dynastieke geschiedenissen

Van de 24 dynastieke geschiedenissen die na de Han-dynastie zijn verschenen, werden er 17 samengesteld door een officieel ambtelijk bureau. Dit gebeurde voor het eerst onder de Oostelijke Han-dynastie, toen historici opdracht kregen om vanuit het archief van het keizerlijk paleis Dongguan Hanji (東觀漢記), de dynastieke geschiedenis van de zittende dynastie samen te stellen en aan te vullen. Onder de Noordelijke Qi-dynastie (555-577) werd voor het eerst een 'Historiografisch Bureau' (shi guan, 史館) gevormd. Soortgelijke instituten zouden tot in de eerste helft van de 20e eeuw blijven bestaan. In 593 bepaalde keizer Wen (r.581-604) van de Sui-dynastie dat particulieren geen geschiedenissen van de zittende dynastie meer mochten samenstellen. Dit verbod bleef tot onder de Song-dynastie (960-1279) van toepassing.
Onder de Tang-dynastie kreeg het ambtelijk 'Historiografisch Bureau' van keizer Taizong (r.626–649) opdracht om dynastieke geschiedenissen samen te stellen van zes voorafgaande dynastieën. Dit resulteerde in de publicatie van het Boek van de Jin, Boek van de Liang, Boek van de Chen, Boek van de Noordelijke Qi, Boek van de Zhou en Boek van de Sui. Ook werden tussen 618 en 762 op basis van de Dagboeken van activiteit en rust en de Ware optekeningen acht opeenvolgende versies samengesteld van de Tang-dynastie zelf (guoshi, 國史, "geschiedenis van de zittende dynastie"). Al deze werken volgden de vorm die door Sima Qian en Ban Gu was gekozen, maar kregen als bijkomende functie het legitimeren van de machtsovername door de zittende Tang-dynastie.
Nieuw genre: geschiedenis van de overheidsinstellingen, de "Doorlopende canon" (tongdian)

Volgens Du You (杜佑, 735-812) kon de geschiedenis het best worden begrepen door de historische ontwikkeling van de overheidsorganisatie te bestuderen. Met zijn Tongdian (通典, "Doorlopende canon") vestigde hij een nieuw genre binnen de Chinese historiografie. Het werk loopt van de vroegste tijd tot 755 na Chr. en bestaat uit negen thematische verhandelingen. Er wordt geschreven over het economisch systeem (geld en voedsel), de ambtenarenexamens, officiële titulatuur, riten, (hof)muziek, militaire kwesties, wetgeving en bestraffing, politieke geografie (provinciaal bestuur) en verdediging van de grenzen.
Het genre dat door Du You was begonnen, werd in de loop van de tijd door andere historici aangevuld. De twee belangrijkste waren Tongzhi (通志, "Algemene verhandeling over instituties" door Zheng Qiao (鄭樵, 1104-1162) uit de Song-tijd en Wenxian tongkao (文獻通考, "Algemene geschiedenis van instituties na kritisch onderzoek van documenten") door Ma Duanlin (馬端臨, 1254-1323) uit de Yuan-tijd. Deze twee werken worden met dat van Du You ook wel santong (三通, "Drie encyclopedische geschiedenissen van instituties") genoemd. Uiteindelijke zou de reeks tien werken gaan omvatten, de Shitong (十通, "Tien encyclopedische geschiedenissen van instituties") . Zij geven samen een doorlopende geschiedenis van de Chinese overheidsinstituties tot en met 1912, de val van het Chinese keizerrijk.
Historische kritiek: Liu Zhiji

De historicus Liu Zhiji (劉知幾, 661-721) maakte bezwaar tegen het volgens hem te mechanische karakter van de dynastieke geschiedenissen die eerder door het Historisch Bureau van de Tang-dynastie waren samengesteld. Tussen 702 en 710 schreef hij zijn 'Studie van de geschiedschrijving' (Shitong, 史通), het eerste werk volledig gewijd aan geschiedschrijving.
Volgens Liu Zhiji diende de historicus bij het schrijven strikt objectief te blijven. Hij mocht bij beoordelingen noch uitgaan van morele waarden, noch van andere veronderstellingen die niet op feiten waren gebaseerd. Hij moest zelfs sceptisch staan tegenover opvattingen die op het moment dat hij zelf schreef algemeen werden aanvaard. De historicus moest zijn argumenten voorzien van zo veel mogelijk bewijzen en uitgaan van eerlijke overwegingen. Zowel bij het onderzoek als bij het beschrijven van een historische gebeurtenis moest hij een totaalbeeld geven van die gebeurtenis, dat uit alle mogelijke bronnen was verkregen. Ook diende hij de onderlinge verwevenheid van culturele, sociale, economische en intellectuele factoren bij gebeurtenissen te onderkennen. De presentatie van de gebeurtenis diende afstandelijk te zijn en moest gebeuren vanuit een onbevooroordeeld standpunt.
Regionale geschiedenis
Tussen 220 en 960 zijn meer dan 120 historische werken samengesteld over regio’s, districten, hoofdsteden, bergen en waterwegen. De belangrijkste reden om deze werken te schrijven was ter verduidelijking van de verschillen in gewoontes tussen de regio’s en de hoofdstad. Verder wilde men aantonen dat veranderingen in regio’s effect hadden op het centrale gezag. De vier belangrijkste werken waren:
- Huayang guozhi (華陽國志, "Geschiedenis van het gebied ten zuiden van de berg Hua") door Chang Qu (常璩, c.291-361). Dit werk beschrijft de geschiedenis van Sichuan, zuidelijk Shanxi en noordoost Yunnan van de vroegste tijden tot het jaar 347 na Chr.

- Yuanhe junxian tuzhi (元和郡縣圖志, "Geografische gids met kaarten van de prefecturen en districten van het Tang-rijk, samengesteld in de Yuanhe periode"), in 813 samengesteld door Li Jifu (李吉甫, 758-814). Het werk beschrijft de geschiedenis en de op dat moment geldende toestand van de verschillende bestuurlijke eenheden binnen het Tang-rijk. Li Jifu wilde met dit werk de grootheid en welvaart van het keizerrijk aantonen en de rol die de diverse regio’s hadden gespeeld om die te bereiken.
- Shuijing zhu (水經注, "Commentaar op het Boek van de Waterwegen") door Li Daoyuan (酈道元, 466/472-527), een gedetailleerde beschrijving van 1252 waterwegen.
- Luoyang qialan ji (洛陽伽藍記, "Optekeningen over de boeddhistische kloosters van Loyang") door Yang Xuanzhi (杨炫之, fl. 528-555). Hij wilde aan de hand van een beschrijving van de 1367 kloosters in Loyang duidelijk maken dat het Boeddhisme de oorzaak van de val van de noordelijke Wei was geweest. Het keizerlijk gezag was verzwakt door het besteden van middelen aan de bouw van kloosters en door de toegenomen invloed van de boeddhistische priesters. Impliciet werd een verband gelegd met de meer dan 100.000 monniken en nonnen in Loyang (op een totale bevolking van 500.000).
Andere aspecten
Biografieën
Volgens de bibliografische hoofdstukken van het Boek van de Sui en het Oud Boek van de Tang zijn er tussen 220 en 960 meer dan 350 verzamelingen van biografieën samengesteld. Zij worden gekenmerkt door een grote variatie in literaire stijl en een sterke diversiteit van de beschreven personen. Men kan collectieve en individuele biografieën onderscheiden.
- Collectieve biografieën van regionale of plaatselijke hoogwaardigheidsbekleders droegen vaak titels als qijiu zhuan (耆舊傳, "biografieën van ouderen") of xianxian zhuan (先賢傳, "biografieën van eerbiedwaardigen").Uit dit genre kwamen later de regionale geografische handboeken (difangzhi, 地方志) voort. Voorbeelden van collectieve biografieën zijn:
- Chenliu qijiu zhuan (陳留耆舊傳, "Biografieën van ouderen uit Chenliu") door Su Lin (蘇林) uit het Koninkrijk Wei.
- Yibu Qijiu Zhuan (益部耆舊傳, "Biografieën van beroemde mensen uit de provincie Yi") door Chen Shou (陳壽, 233–297) uit het Koninkrijk Shu.
- Chuguo xianxian zhuan (楚國先賢傳, "Biografieën van eerbiedwaardigen uit Chu") door Zhang Fang (張方) uit de Jin-dynastie.
- Runan xianxian zhuan (汝南先賢傳, "Biografieën van eerbiedwaardigen uit Runan") door Zhou Pei (周裴) uit de 3e eeuw.
- Individuele biografieën hadden in hun titel biezhuan (別傳, "niet-officiële biografieën"). Zij ontstonden aan het eind van de Han-dynastie en ontwikkelden zich vooral tijdens de periode van de Drie Koninkrijken. Toen onder de Tang de geschiedschrijving door de staat belangrijker werd, verdween dit genre grotendeels. Deze biografieën waren meestal samengesteld door verder anonieme auteurs.
Ook werden twee verzamelingen van biografieën van boeddhistische monniken samengesteld. Dat waren Gaoseng zhuan (高僧傳, "Herinneringen aan eminente monniken") samengesteld door de monnik Huijiao (慧皎, 497-554) en Chu sanzang jiji (出三藏记集, "Optekeningen over de Tripitaka"), door de monnik Sengyou (僧祐, 445–518).
Belangstelling voor het buitenland

Tijdens de Tang-dynastie werden meer dan 40 werken samengesteld over de geschiedenis van het buitenland (外國, waiguo en 世界, shijie), waaronder Datang xiyuji (大唐西域記, "Verslagen uit de gebieden ten westen van de Grote Tang"), samengesteld door de boeddhistische monniken Xuanzang (玄奘, 602-664) en Bianji (辯機). De grote belangstelling voor het buitenland was het gevolg van de militaire dreiging uit Noord- en Centraal-Azië sinds de 4e eeuw en van de culturele invloed die uitging van Centraal- en Zuid-Azië. Het Tang-rijk mag dan ook worden beschouwd als een kosmopolitische staat. Dit geldt zeker voor de hoofdstad Chang'an.
Remove ads
Historiografische ontwikkeling onder de Song-dynastie, 960-1179
Samenvatten
Perspectief
Onder de Song-dynastie werden er meer dan 1300 historische werken samengesteld. Dit is meer dan in enige andere dynastie (uitgezonderd de Qing-dynastie met 5478 werken). Belangrijke historici waren Xue Juzheng (薛居正, 912-981), Wang Pu (王溥, 922-982), Yang Yi (楊億, 947-1020), Wang Qinruo (王欽若, 962-1025), Song Qi (宋祁, 998-1061), Ouyang Xiu (歐陽修, 1007-1072), Sima Guang (司馬光, 1019-1086), Zheng Qiao (鄭樵, 1104-1162), Lu You (陸游, 1125-1210), Zhu Xi (朱熹, 1130-1200) en Lu Zuqian (呂祖謙, 1137-1181).
Benadrukking van het praktisch nut van geschiedenis
De Song-dynastie kende een grote economische en culturele bloei, maar was militair zwak. Bedreigingen kwamen vanuit het noorden en noordwesten, met name door de Liao-dynastie van de Kitan, de Jin-dynastie van de Jurchen en de Westelijke Xia-dynastie van de Tangut. Deze precaire situatie beïnvloedde het denken van de intellectuele elite over geschiedenis. Volgens hen liet geschiedenis menselijke gedragingen zien in samenhang met de natuurlijke omgeving en met maatschappelijke veranderingen. Geschiedenis kon op die manier door iedereen die de staat als ambtenaar diende worden gebruikt als leidraad voor actuele besluitvorming. Men keerde in feite terug naar het oude idee dat geschiedenis vooral praktisch nut moest hebben. Deze zienswijze leidde onder de Song tot een nuchtere vorm van geschiedschrijving.
Reikwijdte van de historische werken
De vraag hoe geschiedenis moest worden bestudeerd en gepresenteerd om op de beste wijze te kunnen dienen als handleiding voor ambtelijk handelen, leidde tot twee verschillende vormen van geschiedschrijving. Volgens een aantal historici moest men zich beperken tot een bepaalde periode of slechts één thema. Een andere groep zag geschiedenis als een voortdurend bewegende stroom die daarom over een lange tijdsduur en zo breed mogelijk moest worden bestudeerd.

Tot de eerste groep historici behoorden:
- Xue Juzheng (薛居正, 912-981) samensteller van Jiu Wudaishi (舊五代史, "Oude Geschiedenis van de Vijf Dynastieën").
- Ouyang Xiu 歐陽修, 1007-1072), samensteller van Xin Wudaishi (新五代史, "Nieuwe Geschiedenis van de Vijf Dynastieën").
- Song Qi (宋祁, 998-1061), samen met Ouyang Xiu de samensteller van Xin Tangshu (新唐書, "Nieuw boek van de Tang").
- Lu You (陸游, 1125-1210) samensteller van Nantang shu (南唐書, "Geschiedenis van de zuidelijke Tang-dynastie"), dat de periode 937-975 omvatte.
- Lü Zuqian (呂祖謙, 1137-1181) samensteller van Lida zhidu xiangshuo (歷代制度詳說, "Volledige geschiedenis van bestuurlijke systemen van opeenvolgende dynastieën").
- Wang Pu (王溥, 922-981), samensteller van Tang huiyao (唐會要, "Complete overheidsinstellingen van de Tang-dynastie"). Het werkis het oudste nog bestaande geschiedenisboek in "Huiyao"-stijl, dat vele aspecten van de politiek, economie en cultuur van de Tang-dynastie behandelt.
Tot de tweede groep historici behoorden met name Zheng Qiao en Sima Guang.

- Zheng Qiao (鄭樵, 1104-1062), stelde dat historici zo objectief mogelijk moesten zijn. Hij bestreed het geloof in een hoger doel van geschiedenis of dat geschiedenis bestond uit beoordelingen op morele gronden. Tussen 1149 en 1161 schreef hij zijn Tongzhi (通志, "Algemene verhandeling over instituties"). Net als in Tongdian (通典, "Doorlopende canon") door Du You (馬端臨, 735-812) werd in Tongzhi de geschiedenis van de overheidsinstellingen beschreven. Het werk loopt van de vroegste periode tot en met de val van de Tang-dynastie in 907. Zheng Qiao volgde het model van Shiji. De 200 juan zijn verdeeld over keizerlijke annalen, biografieën, erfelijke geslachten, chronologische tabellen, optekeningen van onafhankelijke koninkrijken en verhandelingen. Tongzhi en Tongdian vormen samen met de Wenxian tongkao (續文獻通考, "Algemene geschiedenis van instituties na kritisch onderzoek van documenten en studies") door Ma Duanlin (馬端臨, c.1250-1325) de 'Drie encyclopedische geschiedenissen van instituties' (santong, 三通). Zij vormen het begin van de 'Tien encyclopedische geschiedenissen van instituties' (Shitong, 十通), een doorlopende geschiedenis van de Chinese overheidsinstituties tot en met 1912.

- Sima Guang (司馬光, 1019-1086) schreef tussen 1066 en 1084 zijn Zizhi tongjian (資治通鑑, "Doorlopende spiegel tot hulp bij het bestuur"). Het werk vormde een op annalistische wijze samengestelde, doorlopende kroniek voor China voor de gehele periode 403 v.Chr.-959 na Chr. en is daarmee (naast Shiji) de tweede Chinese algemene geschiedenis van China. Per jaar werden gedetailleerd de belangrijkste politieke en militaire gebeurtenissen vermeld. Volgens Sima Guang behoorde geschiedschrijving tot de instrumenten van het politieke handelen en kon dus alleen van nut zijn bij een zo compleet en objectief mogelijke presentatie. Hij maakte in het onderdeel kaoyi, (考異, "verschil in onderzoek") melding van gebeurtenissen waarover historische bronnen van elkaar verschilden en paste hiermee feitelijk bronnenkritiek toe in de vorm van tekstkritiek.
Nieuw genre: geschiedenis als middel tot beïnvloeding (gangmu, hoofdlijnen en details)

In de Song-tijd had geschiedenis grote betekenis, omdat het werd gezien als handleiding voor menselijk handelen. Geleerden als Lu You (1125-1210) en vooral Zhu Xi (1130-1200) zagen hierdoor het belang van geschiedenis voor het onderwijs. Met geschiedenis kon zo het menselijk gedrag worden beïnvloed. Volgens Zhu Xi was geschiedenis een hemels ontwerp om de eeuwige rechtvaardigheid in al het menselijk handelen hoog te houden. Geschiedschrijving diende daarom niet te gebeuren vanuit een onbevooroordeeld standpunt, maar juist op een sterk moraliserende wijze. Vanuit zijn neo-confucianistische uitgangspunten stelde Zhu Xi zijn Zizhi tongjian gangmu (通鑑綱目 "Hoofdlijnen en details in de Doorlopende spiegel") samen. De 294 hoofdstukken van Zizhi tongjian, de "Doorlopende spiegel tot hulp bij het bestuur" werden door hem teruggebracht tot 59 hoofdstukken, waarbij de nadruk lag op een moraliserende beoordeling van de beschreven gebeurtenissen en personen. Toen later, tijdens de Ming- en Qing-dynastie, het confucianisme in de uitleg van Zhu Xi de orthodoxe leer werd, kreeg zijn boek de rol van standaardwerk voor de Chinese geschiedenis en werd tot in de 19e eeuw aangevuld met boeken in dezelfde gangmu-stijl.
Ook voor de westerse geschiedschrijving over China was het werk van Zhu Xi van belang. Het boek werd vertaald door de Franse jezuïet Joseph Anne Marie de Moyriac de Mailla (1669-1748). Zijn Histoire générale de la Chine, ou Annales de cet Empire; Traduites du Tong-Kien Kang-Mou verscheen tussen 1777 en 1783 en omvatte uiteindelijk dertien delen. Deze vertaling werd het uitgangspunt voor talrijke westerse overzichtswerken over de geschiedenis van China en heeft zo het historisch beeld over China in Europa tot in de 20e eeuw sterk beïnvloed.
Derde hoofdvorm van de Chinese historiografie: annalistisch overzicht van zaken in hun oorsprong en afloop (jishi benmo)

Tijdens de Song-dynastie ontstond een variant op de annalistische historiografie. In 1173 werd de annalistische kroniek Zizhi tongjian ('Doorlopende spiegel tot hulp bij het bestuur") door Yuan Shu (袁樞, 1132-1205) uitgesplitst in 239 onderwerpen. Hij noemde zijn werk Tongjian jishi benmo (通鑒紀事本末, "Annalistisch overzicht van zaken uit Tongjian in hun oorsprong en afloop"). Dit werk gaf ook de naam aan het nieuwe genre, jishi benmo (紀事本末, "annalistisch overzicht van zaken in hun oorsprong en afloop"). Tussen Song en het einde van de Qing-dynastie (1912) zijn binnen dit genre meer dan 110 werken samengesteld. Zo werden onder meer de belangrijkste officiële dynastieke geschiedenissen omgezet naar onderwerpen. Ook werd deze vorm gebruikt voor de officiële geschiedenissen van de militaire veldtochten (fanglüe, 方略) die tijdens de Qing-dynastie zijn samengesteld.
Particuliere geschiedschrijving over de zittende dynastie: de Songdynastie
Sinds de 6e eeuw was het samenstellen van een geschiedenis van de zittende dynastie voorbehouden aan de overheid, waardoor de particuliere geschiedschrijving noodgedwongen beperkt bleef tot beschrijvingen van voorafgaande dynastieën. Vanwege het praktische nut dat geschiedenis zou hebben voor het bestuur, werd dit principe onder de Song-dynastie losgelaten. Dit leidde tot een groot aantal door particulieren samengestelde historische werken over de Song-dynastie. Met name de mislukkingen in de relaties die de Song had met de noordelijke buurvolkeren werden geanalyseerd. Door de ontwikkeling van de boekdrukkunst raakten die werken snel bekend onder de intellectuele bovenlaag en konden historici onder de Song uitgroeien tot invloedrijke critici op het bestuur. Twee typische werken binnen dit genre waren:
- Sanchao beimeng huibian (三朝北盟會編, "Betrekkingen tussen Song en Jing gedurende de drie regeringen van de Hui, Qin en Gao Keizers'"), samengesteld door Xu Mengxin (徐夢莘, 1124-1205). Hij voltooide zijn werk in 1194 en behandelde de relatie tussen Song en de Jin-dynastie van de Jurchen (1115-1234) gedurende de periode 1117-1162. Xu wilde met zijn werk de oorzaken van de mislukkingen in die relatie duidelijk maken.
- Jianyan yilai chaoye zaji (建炎以來朝野雜記, "Aanvullende opmerkingen over de nationale politiek van het hof naar de regio's") door Li Xinchuan (李心傳, 1167-1244), die zijn boek in 1216 voltooide. Het werk beschrijft de geschiedenis van de overheidsinstellingen voor de periode 1127-1216. Hoewel de indeling thematisch is, ligt de nadruk op concrete situaties.
Remove ads
Historiografische ontwikkeling onder de Yuan-dynastie, 1179-1368
Samenvatten
Perspectief
Semi-officiële werken
Onder de Mongoolse Yuan-dynastie werden relatief weinig historische werken samengesteld. De belangrijkste officiële werken waren de drie dynastieke geschiedenissen, de Geschiedenis van de Song (Songshi, Geschiedenis van de Liao (Liaoshi) en Geschiedenis van de Jin (Jinshi). Zij zijn in zeer korte tijd samengesteld (1343-1345) en volgden de structuur van de eerder samengestelde dynastieke geschiedenissen. Onder de Ming en Qing werden ze beschouwd als slordig samengestelde werken vanwege de vele weglatingen en de slechte schrijfstijl.
Een andere officieel werk was Huangyuan shengwu qinzhenglu (皇元圣武亲征录, "Optekening van de heilige oorlogen door de verheven Yuan-keizer". Dit werk beschrijft de veldtochten van Dzjengis Khan en was gebaseerd op de verloren geraakte Mongoolse hofkroniek Altan Debter, het "Gouden boek", dat ook de basis vormde voor Menggu mishi (蒙古秘史), de "Geheime geschiedenis van de Mongolen".

Behalve officiële werken waren er ook werken samengesteld door individuele schrijvers. Die geschriften kunnen echter beter worden beschouwd als semi-officiële werken dan als particuliere geschiedschrijving, omdat de samenstellers door hun hoge politieke functies beperkt waren in hun vrijheid van schrijven. Belangrijke werken waren:
- Guochao mingchen shilüe (國朝名臣事畧, "Korte biografieën van voortreffelijke functionarissen van onze dynastie") uit 1329, samengesteld door Su Tianjue (蘇天爵, 1294-1352). Dit werk bevat biografieën van 47 militaire leiders en hoge ambtenaren uit de vroege Yuan-tijd en vormde de basis voor hun biografieën in de Geschiedenis van de Yuan, de officiële dynastieke geschiedenis die in 1370 onder de Ming-dynastie werd samengesteld.
- Guochao wenlei (國朝文類. "Bloemlezing van de huidige dynastie"), eveneens samengesteld door Su Tianjue. Dit werk bevat documenten zoals beschrijvingen van veldtochten tegen opstandige volkeren in Yunnan en Birma.
- Pingsong lu (平宋錄, "Verovering van de Song"), ook bekend als Dayuan hunyi pingsong shilu (大元混一平宋實錄, "Ware optekeningen van de verovering van de Song tijdens de eenmaking van het rijk onder de Grote Yuan", samengesteld door Liu Minzhong (劉敏中, 1243-1318). Ook dit werk behoort feitelijk tot de ambtelijke geschiedschrijving.
Wenxian tongkao

Van een geheel andere orde was Wenxian tongkao (續文獻通考, "Algemene geschiedenis van instituties na kritisch onderzoek van documenten en studies") door Ma Duanlin (馬端臨, c.1250-1325), voltooid in 1307. Ma beschreef de ontwikkeling van de Chinese instituties van de vroegste tijden tot 1224. Hij verdeelde zijn werk in 24 categorieën, zoals het belastingsysteem, het geldwezen, militaire zaken en relaties met het buitenland. Hij voorzag de gebeurtenissen na hun vermelding van eigen commentaar. Volgens hem waren corruptie en wanbestuur de oorzaken van de val van de Song-dynastie. Net als Zheng Qiao (鄭樵, 1104-1162) uit de Song-tijd, benadrukte ook Ma Duanlin de noodzaak van objectieve presentatie en het schrijven van een zo breed en algemeen mogelijke geschiedenis.
Wenxian tongkao wordt samen met Tongdian (通典, "Doorlopende canon") door Du You (杜佑, 735-812) en Tongzhi (通志, "Algemene verhandeling over instituties") door Zheng Qiao (1104–1162) gerekend tot de 'Drie encyclopedische geschiedenissen van instituties' (santong, 三通). Zij vormen het begin van de "Tien encyclopedische geschiedenissen van instituties" (Shitong, 十通), een doorlopende geschiedenis van de Chinese overheidsinstituties tot en met 1912.
Remove ads
Historiografische ontwikkeling onder de Ming-dynastie, 1368-1644
Samenvatten
Perspectief
Officiële historiografie
dynastieke geschiedenis:
- Yuanshi (元史, "Geschiedenis van de Yan")
- shilu (實錄, "Ware Optekeningen")
Grote compilatiewerken van met name encyclopedieën:
- Yongle dadian (永樂大典, "Grote verordeningen van het Yongle-tijdperk", de "Yongle-encyclopedie")
uitgebreide officiële geografische werken (總志之屬 Zongzhi Imperial geographies):
- Da Ming yitong zhi 大明一統志, Optekening van de eenheid van de Verheven Ming (1461), naar het voorbeeld van Da Yuan dayitong zhi 大元大一統志 en opvolger van de eerste Ming-geogafie, Huanyu tongzhi 寰宇通志, Algemene optekening van het universum
- Kunyu wanguo quantu 坤輿萬國全圖 Volledige kaart van de tienduizend districten door Matteo Ricci (Li Madou 利瑪竇, 1552-1610), diende als basis voor Zhifang waiji 職方外紀 "Optekening over de landen buiten het keizerlijk gezag Records door Guiglio Aleni (艾儒略, 1582-1649)
- Wubeizhi 武備志 "Over de militaire paraatheid" is a militaire encyclopedie door Mao Yuanyi 茅元儀 (1594-1640) uit 1628
Hoforganisatie:
- Da Ming huidian (大明會典, "Verzameling van verordeningen van de Verheven Ming").
- Da Ming ji li (大明集禮, "Verzameling van (hof)riten van de Verheven Ming").
- Sishu zhangju jizhu (四書章句集注, "Verzamelde commentaren op hoofdstukken en zinnen van de Vier boeken"), De Vier boeken met het commentaar en de uitleg van Zhu Xi (朱熹).
Particuliere geschiedschrijving over de zittende dynastie: de Mingdynastie
Tijdens de Mingperiode verschenen meer dan 350 door particulieren samengestelde werken over de zittende dynastie. Hiermee werd de trend uit de Songdynastie voortgezet. Zij volgden naar vorm de officiële dynastieke geschiedenissen, maar liepen door tot vlak voor het moment van publicatie. Politieke gebeurtenissen werden niet alleen beschreven, maar ook bekritiseerd en geïnterpreteerd. Belangrijke werken in deze categorie waren:
- Huang ming shi gai (皇明史槪, "Overzicht van de geschiedenis van de Verheven Ming") door Zhu Guozhen (朱國禎, 1557-1632?). Het werk verscheen in 1632 en behandelde de periode 1368-1627.
- Yenshan tang bieji (弇山堂别集, "Verzameling van verhandelingen over de Ming-geschiedenis") door Wang Shizen (王世貞, 1526-1590), verscheen in 1590, de behandelde periode eindigde in 1589.
- Mingshi qie (明史竊, "Een genomen geschiedenis van de Ming-periode") door Yin Shouheng (尹守衡, 1552?-1634?). Dit werk verscheen in 1634, de behandelde periode eindigde rond 1600. Met een "genomen" geschiedenis werd een "niet ter goedkeuring voorgelegde" geschiedenis bedoeld.
Toegenomen belang van biografieën

Net als tijdens de Song-dynastie was men ook onder de Ming van mening dat geschiedenis werd gemaakt door mensen. Dit betekende dat in de geschiedschrijving daden van mensen centraal dienden te staan. Er verschenen tussen 1368 en 1644 meer dan 200 verzamelingen van biografieën en meer dan 250 verzamelingen van autobiografieën. Voorbeelden zijn:
- Xu Hong 徐紘 (fl. 1500) Ming mingchen wanyan lu (明名臣琬琰錄 "Verslagen van beroemde ambtenaren uit de Ming-dynastie"), voortzetting van Mingchen beizhuan wanyan ji (名臣碑傳琬琰集 "Esteemed collection of biographies and tomb inscriptions of famous ministers") door Du Dagui 杜大珪 uit 1194 (de Songtijd).
- Jiao Hong 焦竑 (1540-1620), Guochao xianzheng lu (國朝獻徵錄, "Evident (worthies) of Our Dynasty").
De meest opvallende verzamelingen waren samengesteld door Li Zhi:
- Cangshu (藏書, "Verborgen boeken") bevatte biografieën van 800 historische personen die leefden tussen de 5e eeuw v.Chr en 1368.
- Xu Cangshu (續藏書, "Vervolg op de Verborgen boeken") bevatte 400 biografieën van personen uit de periode 1300-1572, dat wil zeggen tijdens de Ming-tijd.
Li Zhi baseerde zijn biografieën op de klassieke Confucianistische werken en op de officiële dynastieke geschiedenissen. Volgens hem waren de beoordelingen van de in die werken beschreven gebeurtenissen en personen gedaan vanuit de normen en waarden die de toenmalige samenstellers hadden. Die waren volgens Li Zhi uitsluitend geldig voor die tijd zelf. Beoordelingen uit het verleden dienden eigenlijk te worden aangepast aan de hedendaagse normen en waarden. Ter verduidelijking maakte hij personen die traditioneel als verdorven golden in zijn biografieën juist tot helden. Hij leverde zo kritiek op de gangbare Confucianistische ideeën over geschiedenis en trok zo zelfs de onaantastbare positie van Confucius in twijfel. Li Zhi werd wegens ketterij gevangengenomen en pleegde in 1602 zelfmoord. Vanwege zijn kritiek op Confucius volgde in de Volksrepubliek rehabilitatie. Tijdens de campagne 'Bekritiseer Lin, bekritiseer Confucius' (批林批孔運動, pi lin pi kong yundong) van 1973-1974. werd Confucius bekritiseerd en Qin Shi Huangdi geprezen, net zoals Li Zhi dat in zijn biografieën had gedaan.
Remove ads
Historiografische ontwikkeling onder de overgang van Ming naar Qing, 1630-1700
Samenvatten
Perspectief
De overgangsperiode van Ming naar Qing
Tijdens de overgang van de Ming- naar de Qingdynastie verschenen meer dan 1100 door particulieren samengestelde werken. De samenstellers analyseerden in hun geschriften de val van de Ming, de opkomst van de Mantsjoes, de mislukte vestiging van een eigen dynastie door de leiders van de boerenopstand en het individueel gedrag van functionarissen tijdens de overgangsperiode van Ming naar Qing. Deze grote hoeveelheid geschriften kan worden ingedeeld in drie categorieën:
- geschiedenis van de Ming-dynastie
- de overgangsperiode van Ming naar Qing
- biografieën
Werken over de Ming-dynastie uit de overgangsperiode
Karakteristieke werken uit deze categorie waren:
- Guoque (國榷, "Gesprekken over de staat") door Tan Qian (談遷, 1593-1658) en voltooid in 1653. Tan beschreef de periode 1328-1645, waarbij de gebeurtenissen op annalistische wijze per jaar, per maand en vervolgens per dag werden geordend. Het werk valt op door de objectieve beschrijving van de gebeurtenissen en het commentaar dat daaraan werd toegevoegd. Met que ("gesprekken") gaf Tan aan dat veel van zijn bronnen bestonden uit memoranda die aan de troon waren aangeboden.
- Zuiwei lu (罪惟錄, "Optekeningen van een beschuldigde") door Zha Jizuo (查繼佐, 1610-1676), voltooid rond 1670 in 102 delen. Een geschiedenis van de Ming in de vorm van de officiële dynastieke geschiedenissen (annalen-biografieën). Zha beschreef de geschiedenis van de Ming vanaf de vestiging van de dynastie in 1368 tot aan 1663, toen in Zuid-China de laatste Mingtroepen door de Qing werden verslagen. Het werk wordt gerekend tot de meest complete door particulieren samengestelde dynastieke geschiedenissen van de Ming. De politieke standpunten van de Qing bleven onvermeld, waardoor de boeken onder de Qing werden verboden. Slechts door toeval is een exemplaar van de gehele Zuiwei lu bewaard gebleven.
Analyse van de overgangsperiode van Ming naar Qing
Tot de belangrijkste geschriften die deze periode analyseren behoren:
- Twee werken door Ji Liuqi (計六奇, 1622-na 1687): Mingji beilue (明季北略, "Noordelijke veldtochten van de Late Ming") en Mingji nanlue (明季南略, "Zuidelijke veldtochten van de Late Ming"). Beide werken verschenen in 1671 en vormden een combinatie van annalen en verhandelingen. In Mingji beilue worden 674 onderwerpen uit de periode 1595 tot en met het midden van 1644 behandeld. Mingji nanlue bevat 446 onderwerpen uit de periode midden 1644 tot en met 1665, dat wil zeggen de Zuidelijke Ming. Volgens Ji Liuqi was de val van de Ming-dynastie het gevolg van het ontbreken van bekwame ministers en generaals, interne factiestrijd, corruptie, invloed van eunuchen, natuurrampen, binnenlandse opstanden en de aanval van de Mantsjoes.

- Shikuishu houji (石匱書後集, "Vervolg op het Boek opgeborgen in een stenen kist") door Zhang Dai (張岱, 1597-1676). Het werk dat verscheen rond 1670 beschrijft de geschiedenis van de Ming van 1627 tot 1644 en die van de daaropvolgende Zuidelijke Ming tot 1661 en is geschreven in de stijl van de officiële dynastieke geschiedenissen. De hoofdstukken zijn verdeeld in keizerlijke annalen, erfelijke geslachten (keizerlijke prinsen) en 57 biografieën. De verhandelingen ontbreken. Volgens Zhang was de val van de Ming niet te wijten aan wanbestuur van de laatste Ming-keizer, maar aan corrupte eunuchen onder leiding van Wei Zhongxian (魏忠賢, 1568-1627). Na diens uitschakeling kon de neergang van de Ming niet meer worden tegengegaan, noch door Tianqi, de voorlaatste keizer (regeerde 1621-1627), noch door Chongzhen, de laatste keizer (regeerde 1627-1644). Hij week daarmee af van het traditionele beeld dat de val van een dynastie steeds te wijten was aan wanbestuur van de laatste keizer. Het werk is het vervolg op Shikui cang shu (石匱藏書, "Boek opgeborgen in een stenen kist"), dat de geschiedenis van de Ming beschrijft tot 1627.
Biografieën
Talrijke biografieën moesten duidelijk maken wie zich in de overgangsperiode van Ming naar Qing juist had gedragen en wie fout was geweest. Dit paste in het principe van baobian (褒貶, "lof en blaam"), dat reeds door Confucius als vermeende samensteller van Chunqiu (春秋, Lente- en herfstannalen) zou zijn toegepast. Een opvallend geschrift uit deze categorie biografieën was:
- Guoshou lu (国寿录, "Optekening van helden die omkwamen tijden het Ming-bestuur"), samengesteld door Zha Jizuo 查继佐, 1601-1676). In het werk zijn 209 personen beschreven die tussen 1644 en 1650 omkwamen bij de verdediging van de Ming-dynastie.
Nieuw genre: ideeëngeschiedenis (xue'an)

In 1676 verscheen in China het eerste werk dat volledig was gewijd aan ideeëngeschiedenis, namelijk de door Huang Zongxi (黃宗羲, 1610-1695) samengestelde Mingru xue'an (明儒學案, "Optekeningen van de leer van Ming-geleerden". Volgens Huang Zongxi moest filosofisch denken zijn gebaseerd op een grondige kennis van de ideeën van eerdere denkers. In zijn werk plaatste hij meer dan 200 wijsgeren uit de Mingtijd in 19 verschillende scholen. Van elke school gaf hij aan hoe die was ontstaan en hoe de overdrachtslijnen waren gelopen. Vervolgens kreeg elke denker een eigen biografie, waarin behalve zijn levensloop ook zijn leerstellingen werden vermeld. Dit laatste gebeurde door het citeren van kenmerkende passages uit zijn geschriften. Quan Zuwang (全祖望, 1705-1755) zette de manier van werken van Huang Zongxi voort door het samenstellen van Song Yuan xue'an (宋元學案, "Optekeningen over het denken onder de Song en Yuan"). Quan onderscheidde voor die periode in totaal 91 verschillende filosofische scholen. Op het moment van zijn overlijden was zijn werk nog niet voltooid. Na door zijn zoon Huang Baijia (黃百家, 1643-1709) te zijn aangevuld met de nog ontbrekende acht scholen. Na te zijn herzien door Wang Zicai (王梓材, 1792-1851), Feng Yunhao (馮雲濠, 1807-1855) en Ren Shaoji (任紹基) werden de 62 delen voor het eerst gedrukt in 1838. Nog steeds vormen deze twee werken de basis voor veel historische overzichten van de Chinese filosofie.
In de 19e eeuw verscheen een aantal werken waarin de ideeëngeschiedenis van de Qing-periode werd behandeld. Belangrijk waren:
- Guochao xue'an xiaoshi (清學案小識. "Korte geschiedenis van het denken onder de zittende dynastie") uit 1845, samengesteld door Tang Jian (唐鑒, 1778-1861).
- Guochao Hanxue shicheng ji (國朝漢學師承記, "Biografieën van de grote meesters van de Han-studiën onder de zittende dynastie") uit 1812 en Guochao Songxue yuanyuan ji (宋學淵源記, "Biografieën van de grote meesters van het Song-denken onder de zittende dynastie"). Beide werken waren samengesteld door Jiang Fan (江藩, 1761-1851).
- Hanxue shangdui (漢學商兌, "Discussies over het belang van de Han-studiën', samengesteld door Fang Dongshu (方東澍, 1772-1851). Dit was een commentaar op Guochao Hanxue shicheng ji. Het eerste deel verscheen in 1824, het tweede in 1838.
Historische kritiek: Wang Fuzhi en Gu Yanwu
Theorievorming over geschiedenis en geschiedschrijving in de 17e eeuw
Vanuit hun zoeken naar de oorzaken van de val van de Mingdynastie kwamen Wang Fuzhi (王夫之, 1619-1692) en Gu Yanwu (顧炎武, 1613-1682), twee Ming-loyalisten, tot een eigen visie op de aard van geschiedenis. Zij reageerden op de intuïtieve interpretatie van het Confucianisme door Wang Yangming (1472-1529), die tijdens de laatste fase van de Mingdynastie veel aanhang had. Door zich bezig te houden met speculatieve filosofie hadden de Ming-geleerden te weinig belangstelling gehad voor het patroon van de geschiedenis. Zij waren daardoor niet in staat geweest het Mingrijk van de ondergang te redden. Volgens Wang en Gu kon het heden alleen worden begrepen vanuit een uitgebalanceerde kennis van het verleden die was verkregen door concreet empirisch onderzoek. Slechts vanuit een goed begrepen heden konden zinvolle plannen voor de toekomst worden gemaakt.
Wang Fuzhi

Wang Fuzhi pleitte voor een vorm van inleving tijdens het beschrijven van een historische gebeurtenis. Staatsinstellingen en maatschappelijke gewoonten waren aan veranderingen onderhevig. Er diende daarom rekening te worden gehouden met de specifieke situatie van de tijd en van de omstandigheden waaronder de gebeurtenis had plaatsgevonden. Zij mochten niet worden beoordeeld in brede, algemene termen. In zijn Du tongjian lun (讀通鑒論, "Commentaar op het lezen van de Zizhi tongjian) en zijn Songlun (宋論, "Over de geschiedenis van de Song") beoordeelde hij op die manier de belangrijkste personen en historische gebeurtenissen voor de periode 403 v.Chr tot 1279 na Chr.
Gu Yanwu
Gu Yanwu stelde in zijn 32-delige Rizhi lu (日知錄, "Aantekeningen van de per dag vergaarde kennis") dat de historicus bij het verzamelen van gegevens zich ervan diende te overtuigen dat zijn bronnen niet vervalst waren. Ook moest hij onderscheid maken tussen primaire en secundaire bronnen. Voordat hij een gebeurtenis of persoon ging beoordelen moest hij zo veel mogelijk bronnen verzameld hebben. Hij mocht zich bij de beoordeling alleen laten leiden door de feiten, niet door subjectieve toevoegingen. Ten slotte moest bij een gebeurtenis behalve met de feitelijke ontwikkeling ook rekening worden gehouden met de oorzaken en gevolgen van die gebeurtenis. Gu Yanwu wordt beschouwd als grondlegger van Kaoju Xue, (考據學, de "School van de Tekstkritiek").
Remove ads
Historiografische ontwikkeling onder de Qing in de 18e eeuw
Samenvatten
Perspectief
Tussen 1644 en 1912 zijn zeker 5478 historische werken verschenen, dat is meer dan onder enige andere Chinese dynastie. Op historiografisch gebied zijn er in de 18e en de eerste helft van de 19e eeuw twee ontwikkelingen te onderscheiden, de samenstelling van grote compilatie-werken en de bloei van de 'School van de Tekstkritiek'.
Grote compilatiewerken
In opdracht van de Qingkeizers werd eerder vergaarde kennis vastgelegd in grote verzamelwerken. De belangrijkste waren:

- Gujin Tushu jicheng (古今圖書集成, "Volledige verzameling van geschriften uit verleden en heden"), de grootste gedrukte traditionele Chinese encyclopedie ooit. De compilatie was begonnen door Chen Menglei (陳夢雷, 1651-1723?) en werd later ambtelijk overgenomen. Het werk is voor het eerst gedrukt in 1728.
- Siku quanshu (四庫全書, "Complete geschriften in de vier kluizen [van de keizer]") kwam tot stand tussen 1772-82. Dit is een beredeneerde catalogus van de gehele overgeleverde literatuur, zowel uit de paleisbibliotheek als uit privé-collecties. De belangrijkste 3461 werken werden in hun geheel gekopieerd. In de werken werd censuur toegepast door de verwijdering van passages waarin de Mantsjoes negatief werden beschreven. Historiografisch leidde dit werkt tot de ontdekking en reconstructie van talrijke op dat moment vergeten historische werken.
- Kangxi zidian (康熙字典, "Canon van schrifttekens van de Kangxi-periode", het "Kangxi-woordenboek") uitgegeven in 1716. Dit woordenboek bevat 47.035 karakters, met voor elk karakter uitspraak en betekenis. Onder de redacteurs bevonden zich Zhang Yushu (張玉書, 1642-1711) en Chen Tingjing (陳廷敬, 1639-1712).
- Peiwen yunfu (佩文韻府, "De naar rijm gerangschikte schatkamer [van meerlettergrepige frasen] uit het Peiwen-studeervertrek"), een thesaurus van combinaties van twee en drie karakters uit 1711, samengesteld onder redactie van Zhang Yushu (die ook medesamensteller was van het Kangxi-woordenboek.
- Quan Tang shi (全唐詩, "De complete Tang-gedichten"), voltooid in 1707. Een verzameling van bijna 50.000 gedichten van ongeveer 2200 Tang-dichters. De verzameling werd in 1705 samengesteld onder leiding van Peng Dingqiu (彭定求, 1645-1719).
- Quan Tang wen (全唐文, "Het complete Tang-proza"), voltooid in 1814 onder leiding van Dong Hao (董誥, 1740-1818).
- Quan shanggu Sandai Qin Han Sanguo Liuchao wen (全上古三代秦汉三国六朝文, "Het complete proza van de hoge oudheid, de Drie Dynastieën, de Qin en de Han, de Drie Koninkrijken en de Zes Dynastieën), voltooid in 1836 onder leiding van Yan Kejun (嚴可均, 1762-1843).
Literaire inquisitie onder de Mantsjoes

Tegelijk met de samenstelling van de grote compilatiewerken vond er vanaf de 18e eeuw een literaire inquisitie plaats. Die bereikte een dieptepunt in de jaren 1770 -1790, onder de Qianlong Keizer (1736-1795), maar bleef, zij het minder hevig, doorgaan tot in het midden van de 19e eeuw. Oude geschriften werden gecontroleerd op passages waarin op negatieve wijze werd geschreven over de oude stamverbanden van de noordelijke steppevolkeren, met name de Mantsjoes, Jurchen, Kitan, Tangut en Mongolen. Soms werden alleen de gewraakte passages verwijderd, vaak werd het boek compleet vernietigd, samen met de, vaak eeuwenoude, houten drukblokken. De samenstellers of hun nakomelingen werden gestraft door ze met hun familieleden te verbannen, tot slaaf te maken of zelfs te executeren. Wu Zhefu (吴哲夫), een historicus uit de Volksrepubliek, heeft in 1969 een lijst samengesteld met 3500 door de Qing vernietigde werken. Vanwege dit voor intellectuelen repressieve klimaat kozen veel geleerden in de 18e en 19e eeuw voor een veiligere vorm van onderzoek en begonnen oude geschriften te analyseren. Deze vorm van onderzoek, die bekend stond als de School van de tekstkritiek werd wél gesteund door de Qing-keizers.
School van de Tekstkritiek (Kaoju Xue)
Ontstaan

In de tweede helft van de 17e eeuw ontstond een denkrichting die de oorspronkelijke tekst van de Confucianistische Klassieken opnieuw wilde achterhalen. Deze nieuwe benadering sloot aan bij de samenstelling van de grote compilatiewerken in de 18e eeuw, maar begon feitelijk al met de Ming-loyalist Gu Yanwu (顧炎武, 1613-1682). Hij bekritiseerde in zijn Rizhilu (日知錄, "Aantekeningen van de per dag vergaarde kennis") het intuïtieve denken dat Wang Yangming (王陽明, 1472-1529) in het Confucianisme had gebracht en noemde de bezigheden van zijn aanhangers 空談 (kongtan, "lege gesprekken"). Gu verzette zich echter ook tegen de starheid van de neoconfucianistische orthodoxie. Bij de ambtenarenexamens werd kennis van de Klassieken op verkeerde wijze getoetst, waardoor ze ook verkeerd werden bestudeerd. Om de confucianistische klassieken echt te kunnen begrijpen moesten ze worden ontdaan van de commentaren uit de Song- en Mingtijd en diende men terug te keren naar de Han-tijd. Volgens Gu Yanwu moest een studie van de klassieken worden voorafgaan door filologisch, taalkundig en historisch onderzoek. Zelf maakte hij in dit kader een reconstructie van de uitspraak van het Oud Chinees en stelde een werk samen over historische geografie (Zhaoyuzhi, 肇域志). Hij wordt dan ook beschouwd als de eigenlijke grondlegger van de School van de Tekstkritiek (Kaoju Xue, 考據學), ook bekend onder de naam Kaozheng Xue (考證學, "Empirische School") of Han Xue (漢學, "School van de Han-studiën").
Onderzoeksresultaten
Met betrekking tot de klassieke werken en de dynastieke geschiedenissen ging de 'School van de tekstkritiek' verder dan het uitsluitend annoteren en becommentariëren van die werken. Men stond vanaf het begin sceptisch tegenover aannames en men twijfelde aan de traditionele uitleg van de klassieke teksten. Er werd onderzoek gedaan naar later ingevoegde, mogelijk vervalste teksten. De belangrijkste resultaten met betrekking tot de traditionele historische werken werden bereikt door:
- Yan Ruoqu (閻若璩, 1636-1704). Hij toonde in zijn Shangshu guwen shuzheng (尚書古文疏証, "Onderzoek naar de oude tekstversie van de documenten van Shang") aan dat de 26 oude tekst-hoofdstukken van het Boek der Documenten vervalsingen uit de 4e eeuw na Chr. waren.
- Cui Dongbi (崔東壁, ook bekend als Cui Shu, 崔述, 1740-1816) analyseerde in zijn kaoxinlu (考信錄, "Onderzoek naar de echtheid van enkele belangrijke kwesties uit de oude geschiedenis") in hoeverre Confucius daadwerkelijk de samensteller was geweest van de aan hem toegeschreven werken, zoals de Lente- en Herfstannalen, het Boek der Liederen en de Tien vleugels.
- Jiang Yong (1681-1762). Zijn studies over rijm en uitspraak maakten een reconstructie van de teksten uit de oudheid mede mogelijk.
- Met betrekking tot de officiële dynastieke geschiedenissen werd onderzoek verricht door:

- Wang Mingsheng (王鳴盛, 1722-1797) met zijn Shiqishi shanque (十七史商榷, "Kritische studie van de zeventien dynastieke geschiedenissen") uit 1788.
- Zhao Yi (1727-1761, 趙翼) met Nian'er shi zhaji, (廿二史箚記, Aantekeningen over de 22 dynastieke geschiedenissen") uit 1795.
- Qian Daxin (1728-1804) was de samensteller van Nian'er shi kaoyi (廿二史考異, "Over ongerijmdheden in de 22 dynastieke geschiedenissen") uit 1797.
Nevenresultaat van het samenstellen van de grote compilatiewerken en het onderzoek van de 'School van de Tekstkritiek' was de herontdekking en reconstructie van tal van vaak lang verloren gewaande werken. Uiteindelijk ging het oorspronkelijke doel van de school echter verloren en ontaardde de tekstkritiek in haarkloverij over teksten. In de loop van de 19e eeuw groeide de ontevredenheid over deze wijze van studie. Een aantal praktisch ingestelde geleerden zocht binnen het Confucianisme liever naar oplossingen voor de toegenomen maatschappelijke en politieke problemen. In verband met de confrontatie met de Europeanen vonden zij kennis van de westerse landen en het verdedigen van de grenzen belangrijker.
Zhang Xuecheng (1738-1801)

Zhang Xuecheng (章學誠, 1738-1801) schreef tussen 1772 en 1800 zijn magnum opus Wenshi tongyi (文史通義, "Algemene beginselen van Literatuur en Geschiedenis"). Net als de 1000 jaar eerder door Liu Zhiji (661-721) samengestelde Shitong was ook dit werk volledig gewijd aan geschiedschrijving. Wenshi tongyi bevat 122 verhandelingen over de aard van geschiedenis, methodologie van de geschiedschrijving en mogelijkheden voor het benutten van historische kennis.
Zhang Xuecheng schreef in feite een metafysica van de geschiedenis. Geschiedenis was de optekening van menselijke handelingen uit het verleden. De kracht (dao) die de geschiedenis liet voortbewegen bestond uit de voortdurende onderlinge beïnvloeding van samenleving en natuur. Het belangrijkste kenmerk van geschiedenis was verandering. Door de voortdurende veranderingen was het patroon van de geschiedenis er een van vooruitgang. Elke tijd had in dit proces van vooruitgang zijn eigen kenmerken. Het is daarom zinloos om te streven naar herstel van instituties en omstandigheden uit de klassieke tijd. Het is veel belangrijker om de principes van de verandering zelf te achterhalen. Die blijven steeds geldig en die kunnen daadwerkelijk dienen als leidraad voor het heden. Alleen in dat opzicht vormde het leren uit het verleden het doel van geschiedschrijving. Zhang benadrukte hiermee het belang van de eigentijdse geschiedschrijving. Hij verzette zich dan ook tegen de nadruk die in zijn tijd werd gelegd op de filologische en taalkundige analyse van de klassieke werken. Die werkwijze was te statisch, bij de benadering van de 'School van de Tekstkritiek' speelden de periodes na de klassieke oudheid feitelijk geen rol meer.

Zhang Xuecheng gaf in zijn werk ook concreet aan hoe een historisch onderzoek diende te worden opgezet. Dat diende in een breed en systematisch kader te worden geplaatst, moest helder en boeiend zijn geschreven en diende gebaseerd te zijn op strikt objectief en in eigen onderzoek gevonden feitenmateriaal. Een historisch werk zou eigenlijk moeten bestaan uit drie onderdelen:
- Een chronologische overzicht van de onderzochte periode, waarin de belangrijkste gebeurtenissen en personen zijn beschreven.
- Een reeks biografieën en verhandelingen over instituties, het politieke systeem, filosofie, literatuur en specifiek tot de betreffende periode behorende problemen.
- Kaarten, tabellen, grafieken, illustraties en statistisch materiaal als aanvulling op de voorafgaande twee onderdelen.
Door zijn kritiek op de School van de Tekstkritiek was er tijdens zijn leven nauwelijks belangstelling voor zijn ideeën. Wenshi tongyi werd pas in 1832 gedrukt. Zijn grote invloed op de Chinese geschiedschrijving begon pas aan het begin van de 20e eeuw, toen hij door Chinese geleerden opnieuw werd ontdekt.

Zhang Xuecheng bracht zijn voorstel voor het opzetten van historisch onderzoek in de praktijk door zes regionale geschiedenissen samen te stellen. Zijn omvangrijkste was Hubei tongzhi ("Geschiedenis van de provincie Hubei") uit 1794. Volgens Zhang waren regionale geschiedenissen net zo belangrijk als geschiedenissen van de zittende dynastie (guoshi). Andere regionale geschiedenissen uit deze periode waren die van:
Remove ads
Geschiedschrijving onder de Qing in de 19e eeuw
Samenvatten
Perspectief
Officiële geschiedschrijving
Geschiedenis van de zittende dynastie: Donghua lu

Er werden onder de Qing historische overzichten van de zittende dynastie samengesteld, gebaseerd op stukken uit het keizerlijk archief. Het belangrijkste werk was Donghua lu (東華錄, "Optekening vanuit de oostelijke (bloemen)-poort"), genoemd naar de plaats waar in de Verboden Stad het historisch bureau (guoshi guan, 國史館) was gevestigd. Donghualu vormde een strikt annalistische geschiedenis van de Qing en was gebaseerd op de shilu (實錄, de "Ware optekeningen" uit de keizerlijke archieven van de Qing. Het eerste gedeelte werd samengesteld door Jiang Liangqi (蔣良騏, 1723-1788) en omvatte de periode 1616-1735. Een vervolg verscheen in 1884 als Jiuchao donghua lu (九朝東華錄 "Optekening van de negen regeringen vanuit de oostelijke (bloemen)-poort" door Wang Xianqian (王先謙, 1842-1917) en besloeg de periode 1735-1850. Pan Yifu (潘頤福, 1844-1886) stelde met Xianfeng chao donghua lu (咸豐朝東華錄) een aanvulling samen voor de regering van de Xianfeng-keizer (r.1850-1861) en Wang Xianqian deed dat met die van de Tongzhi-keizer (r.1861-1875). Het gehele werk werd Shiyichao Donghualu (十一朝東華錄, Optekening van de elf regeringen vanuit de oostelijke (bloemen)-poort") genoemd. Zhu Shoupeng (朱壽朋, 1868-?, maar na 1922) stelde een aanvulling samen voor de Guangxu-keizer (r.1875-1908), Guangxuchao Donghualu (光緖朝東華錄).
Alle "Ware optekeningen" van de Mantsjoe-keizers zelf zijn ook bewaard gebleven. Zij zijn in 1936 door een Japanse uitgeverij gepubliceerd als de 1210-delige Daqing lichao shilu (大清歷朝實錄, "Ware optekeningen van de Grote Qing voor alle regeerperiodes"). De reeks bevatte behalve alle "Ware optekeningen" ook Xuantong zhengji (宣統政記, de politieke verslagen van de Xuantong-keizer), de niet-officiële optekeningen van Puyi, de laatste Qing-keizer (r.1908-1912).
Officiële geografische handboeken

Onder de Qing zijn drie officiële geografische handboeken over het gehele keizerrijk samengesteld, elk met de titel 'Geografisch handboek van de verenigde Grote Qing' (Da Qing yitongzhi, 大清一統志)
- Da Qing yitongzhi, voltooid in 1746 door Xu Qianxue (徐乾學).
- Da Qing yitongzhi, samengesteld onder leiding van Xu Wu (徐午), gepresenteerd in 1784 en gedrukt in 1790.
- Da Qing yitongzhi, voltooid in 1820, aan het einde van de regeerperiode van de Jiaqing-keizer, waardoor het ook bekend staat als Chongxiu yitongzhi (嘉慶重修一統志). Dit in 1842 gedrukte werk is het uitgebreidste en nauwkeurigste van de officiële geografische handboeken.
Verder zijn onder de Qing meer dan 5600 officiële regionale geografische handboeken samengesteld (difangzhi, 地方志, plaatselijke beschrijvingen, vaak vertaald als local gazetteers). Zij bevatten gegevens over de bestuurlijke indeling, lokale economie, cultuur en belastingheffing, maar ook biografieën van plaatselijke hoogwaardigheidsbekleders.
Beschrijvingen van grensgebieden
Belangrijke officiële beschrijvingen van de grensgebieden waren:
- Xinjiang zhilüe (新疆识略, "Kroniek van Xinjiang"), in 1821 voltooid door Songyun (松筠, 1752-1835), militair gouverneur van Xinjiang van 1802–1809.
- Huangchao fanbu yaolüe (皇朝藩部要略, "Hoofdzaken over de gebieden van de barbaren onder onze verheven dynastie"), samengesteld door Qi Yunshi (祁韻士, 1751-1815) en voltooid door Song Jingchang (宋景昌) in 1839. Beschrijft de geschiedenis van Mongolië, Xinjiang en Tibet.
- Shuofang beisheng (朔方備乘, "Historische bronnen over de noordelijke gebieden"), in 1881 samengesteld door He Qiutao (何秋濤, 1824-1862). De eerste Chinese studie over de Chinees-Russische betrekkingen.
Mongoolse geschiedenis

In de 19e eeuw nam de belangstelling voor de studie van de Mongoolse geschiedenis toe. Dit had te maken met het toegenomen belang van de verdediging van grensgebieden. Zhang Mu (張穆, 1805-1849) schreef menggu youmu ji (蒙古游牧記, "Optekening van het nomadenleven in Mongolië"), een studie over de Mongoolse steppen. Tu Ji (屠寄, 1856-1921) stelde de Mengwu'er shiji (蒙兀兒史記, "Historische optekeningen over de Mongolen") samen uit oude kronieken. Veel materiaal over de geschiedenis, cultuur en etymologie van de Mongolen werd vertaald uit Perzische, Arabische en westerse bronnen. Met name het werk Yuanshi yiwen zhengbu (元史譯文證補, "Vertaalde teksten als aanvullend bewijs voor "Yuanshi"") was belangrijk. Dit boek was samengesteld door de in Europa geaccrediteerde diplomaat Hong Jun (洪鈞, 1840-1893) en bevatte vertalingen van Europese bronnen over de Mongoolse geschiedenis. In tegenstelling tot de Mantsjoe-ambtenaren beheersten de Chinese geleerden het Mongools niet. Zhang Mu werkte met documenten afkomstig uit het keizerlijke archief, Tu Ji gebruikte vertaalde teksten, net als Wang Guowei (王國維, 1877-1927), die Menggu shiliao sizhong (蒙古史料四種) samenstelde, een verzameling Chinese reisverhalen naar Mongolië. Ye Dehui (葉德輝, 1864-1927) was de samensteller van de eerste moderne Chinese editie van de 'Geheime geschiedenis van de Mongolen' (Menggu mishi, 蒙古秘史). Dit werk beschrijft de regeerperiode van Dzjengis Khan en van Ögedei Khan.
Een belangrijke bijdrage werd geleverd door Ke Shaomin (1850-1933), die tussen 1890 en 1920 op eigen initiatief een Nieuwe Geschiedenis van de Yuan samenstelde. Dit werk volgde de vorm van de Yuanshi, de officiële dynastieke geschiedenis van de Yuan-dynastie uit de Mingtijd en zou dat werk moeten gaan vervangen. Als gevolg van de veranderde opvattingen over de geschiedschrijving na de val van het Keizerrijk in 1912 raakte het boek vrijwel direct na verschijnen in de vergetelheid.
Oude inscripties
Pioniers op het terrein van de bestudering van oude inscripties op stenen tafels en bronzen vaatwerk waren Wu Dacheng (吳大澂, 1835-1902) en Sun Yirang (孫詒讓, 1848-1908). Hun analyses hebben in de 20e eeuw de ontcijfering van de orakelbotten mogelijk gemaakt.
Historiografische ontwikkeling na 1900
Samenvatten
Perspectief
Einde van de traditionele geschiedopvatting
Begin 20e eeuw kwam door drie factoren een einde aan de traditionele, door het confucianisme bepaalde geschiedopvatting:
- ineenstorting van het staatssysteem, gesymboliseerd door de afschaffing van de staatsexamens voor ambtenaren in 1905,
- toepassing van westerse geschiedopvattingen,
- archeologische vondsten die leidden tot nieuwe historische bronnen.

Onder invloed van een wisselwerking met westerse filosofische opvattingen volgde er een bezinning op de traditionele historiografie. Geschiedschrijving moest de bewoners van een land betrekken bij gebeurtenissen en niet beperkt blijven tot een bezigheid voor en door bureaucraten. Men diende gebruik te maken van de omgangstaal en niet meer van de verstarde, ambtelijke schrijftaal, die voor de meeste mensen onbegrijpelijk was geworden. Xia Zengyou 夏曾佑 (1882-1924) was de eerste historicus die de traditionele wijze verwierp waarop geschiedenis tot dan toe werd gepresenteerd. Liang Qichao (1873-1929) schreef 'Methods for the Study of Chinese History' (Zhongguo lishi yanjiufa, 中国历史研究法), het eerste leerboek historische methoden en technieken gebaseerd op westerse geschiedsopvattingen. Naar aanleiding van het verschijnen van het Ontwerp voor een geschiedenis van de Qing bekritiseerde hij de nadruk die op de politieke en institutionele geschiedenis werd gelegd en op de overheersende rol die het keizerlijk hof in de geschiedschrijving kreeg toegedicht.
Wang Guowei 王国维 (1877-1927), die als eerste de orakelbotten uit de Shang-tijd herkende, verwierp de traditionele opvatting over een mythische tijd. Alleen archeologische vondsten konden zekerheid brengen. Dit leidde tot een richtingenstrijd over de oudste Chinese geschiedenis: de School van het Geloof in de Oudheid (xingupai 信古派) stond tegenover de School van de Twijfel aan de Oudheid (yigupai 疑古派), die in navolging van Gu Jiegang twijfelde aan de betrouwbaarheid van de oudste historiografische werken, zoals het 'Boek der Documenten'.
Marxistische geschiedopvatting
De Marxistische geschiedopvatting gaat uit van een, wetmatig bepaalde lineaire historische ontwikkeling van de maatschappij. Die wetmatige ontwikkeling loopt van een periode van de primitieve maatschappij, het oercommunisme, via een slaven-periode, een feodaal tijdvak en een kapitalistische periode naar een socialistisch tijdvak. Die laatste periode moest ten slotte uitmonden in de periode van het wereldcommunisme. Er ontstond een probleem om dit schema op de Chinese geschiedenis toe te passen. De geschiedsvisie van Marx was gebaseerd op geïndustrialiseerde samenlevingen en was moeilijk toepasbaar voor landen waarvan de bevolking grotendeels uit boeren bestond. Bovendien was, net als veel andere Europese 19e-eeuwse historici, ook Marx van mening dat de Chinese geschiedenis 2000 jaar stil had gestaan. De eerste marxistisch Chinese historici, waaronder de later zeer invloedrijke Guo Moruo (1892-1978), probeerden in de extreem lange feodale fase (de vermeende periode van stilstand) toch ontwikkelingen langs marxistische lijnen te ontdekken. Discussies over een Periodisering van de Chinese geschiedenis langs de marxistische ontwikkelingslijn speelden daarbij een grote rol. Volgens Mao Zedong bestond tussen 1840 en 1919 in China een periode van 'semi-kolonialisme' (banzhimindi, 半殖民地), een overgangsfase van feodalisme naar kapitalisme. Dit vormde een Chinese verbijzondering van het marxistische periodiseringsschema. Na de culturele revolutie bleef het marxistische model in de Chinese historiografie gehandhaafd, maar raakte wat meer op de achtergrond.
Zie ook
Gebruikte literatuur
Encyclopedische overzichten
- (en) Boyd, Kelly (ed.), Encyclopedia of Historians and Historical Writing, Londen (Fitzroy Dearborn Publishers) 1999, ISBN 1-88496-433-8, vol.1:
- Chang Chun-shu, China. Historical Writing, Ancient (c.1100-221 v.Chr.), pp. 216–219.
- Chang Chun-shu, China. Historical Writing, Early and Middle Imperial (221 v.Chr.-959 na Chr.), pp. 219–222.
- Chang Chun-shu, China. Historical Writing, Late Imperial (960-1911), pp. 222–229.
- (en) Woolf. D.R., (ed.), A Global Encyclopedia of Historical Writing, New York-Londen (Garland Publishing Inc.) 1998, ISBN 0-8153-1514-7, vol.1:
- Shang, Chun-shu, Chinese Historical Thought - Ancient to Ming, pp. 158–161.
- Hardy, Grant R., Chinese Historiography - Chronicle/Annal Form History (biannian shi), pp. 161–162.
- Yan Shoucheng, Chinese Historiography - Commentaries, pp. 162-163.
- Jay, Jennifer W., Chinese Historiography - General Histories (tongshi, [t'ung-shih] premodern and imperial), p. 163.
- Wang, Q. Edward, Chinese Historiography - Histories of Illegitimate Dynasties (wei shi), pp. 163-164.
- Wang, Q. Edward, Chinese Historiography - Histories of Institutions (zhi yuan), p. 164.
- Alitto, Guy, Chinese Historiography - Local Gazetteers (Fangzhi), pp. 164-165.
- Mackerras, Colin, Chinese Historiography - Manchu, p. 165.
- Jay, Jennifer W., Chinese Historiography - Miscellanea (Biji [Pi-chi]), pp. 165-166.
- Mazur, Mary G., Chinese Historiography - Modern General Histories (twentieth-century tongshi), p. 166-167.
- Alitto, Guy, Chinese Historiography - Modern (post-Ming) and Communist, pp. 167–170.
- Lee, John, Chinese Historiography - Records of the Beginnings and Ends of Events (Jishi Benmuo [chi-shih pen-mo]), pp. 170-171.
- Hardy, Grant R., Chinese Historiography - Standard Histories (Zhengshi), pp. 171–172.
- D. R. Woolf (ed.), The Oxford History of Historical Writing, Oxford (Oxford University Press) 2011-2012
- v.1. Beginnings to AD 400, ISBN 978-0-19-921815-8
- 19. Nienhauser Jr. William H., Sima Qian and the Shiji, pp. 463-484
- 20. Durrant, Stephen W., The Han Histories, pp. 485-508
- 21. Dien, Albert E, Historiography of the Six Dynasties Period (220–581), pp. 509-534.
- 22. Kieschnick, John, Buddhism. Biographies of Buddhist Monks, pp. 535-552.
- v.2. 400-1400, ISBN 978-0-19-923642-8
- 1. Hartman,Charles en Anthony DeBlasi, The Growth of Historical Method in Tang China, pp. 17-36.
- 2. Hartman, Charles, Chinese Historiography in the Age of Maturity, 960–1368, pp. 37-58.
- v.3. 1400-1800, ISBN 978-0-19-921917-9
- 1. Mittag, Achim, Chinese Official Historical Writing under the Ming and Qing, pp. 24-42.
- 2. Crossley, Pamela Kyle, The Historical Writing of Qing Imperial Expansion, pp. 43-59.
- 3. Ng, On-cho, Private Historiography in Late Imperial China, pp. 60-79.
- v.4. 1800-1945, ISBN 978-0-19-953309-1
- 24. Axel Schneider en Stefan Tanaka, The Transformation of History in China and Japan, pp. 491-519.
- v.5. Historical Writing since 1945, ISBN 978-0-19-922599-6
- 30. Weigelin-Schwiedrzik, Susanne, Chinese Historical Writing since 1949, pp. 615-636.
- v.1. Beginnings to AD 400, ISBN 978-0-19-921815-8
Algemene overzichtswerken
- (en) Beasley, William G. en Edwin G. Pulleyblank (eds.), Historians of China and Japan, Londen (Oxford University Press) 1961, ISBN 0-19-713521-8.
- (en) Franke, Wolfgang, "Historical Writing during the Ming" in: Mote, Frederick W. en Denis Twitchett, Cambridge History of China, Vol. 7, The Ming Dynasty, Cambridge (Cambridge University Press), 1988, ISBN 978-0521243322, pp. 736-760.
- (en) Gardner, Charles S., Chinese Traditional Historiography, Cambridge MA (Harvard University Press) 1970, ISBN 0-674-12550-9, (3e druk, oorspronkelijke uitgave 1938).
- (en) Han Yu-Shan, Elements of Chinese Historiography, Hollywood (W.M. Hawley) 1955.
- (en) Iggers, Georg G., Q.Edward Wang en Supriya Mukherjee, A Global History of Modern Historiography, Harlow (Pearson Longman) 2008, ISBN 9780582096066
- (en) Ng On-cho en Q.Edward Wang, Mirroring the Past. The Writing and Use of History in Imperial China, Honolulu (University of Hawai'i Press) 2005, ISBN 978-0-8248-2913-1
- (en) Twitchett, Dennis, The Writing of Official History under the T'ang, Cambridge (Cambridge University Press) 1992, ISBN 0-521-52293-5.
- (en) Wang, Q.Edward en Georg G.Iggers (eds.), Marxist Historiographies. A Global Perspective, Abingdon (Routledge) 2016, ISBN 978-1-315-68600-4
- (en) Wilkinson, Endymion, Chinese History. A New Manual, Cambridge (MA) en Londen (Harvard University Asia Center for the Harvard-Yenching Institute) 2022, vol. 2, ISBN 9780674260207.
- (en) Wu Huaiqi, An Historical Sketch of Chinese Historiography, Berlin/Heidelberg, (Springer) 2018, ISBN 9783662562536
20e/21e eeuw
- (en) Dirlik, Arif, Revolution and History. The Origins of Marxist Historiography in China, 1919-1937, Berkeley (University of California Press) 1978, ISBN 9780520342071.
- (en) Teng, S.Y., 'Chinese Historiography in the Last Fifty Years', in: Far Eastern Quarterly. Review of Eastern Asia and the adjacent Pacific islands, 2 (1949), pp. 131–156.
- (en) Unger, Jonathan, Using the Past to Serve the Present. Historiography and Politics in Contemporary China, Armonk N.Y. (M.E.Sharpe), Armonk 1993, ISBN 9780873327473.
- (en) Vickers, Edward en Alisa Jones, History Education and National Identity in East Asia, New York (Routledge) 2005, ISBN 9780415948081.
- (en) Wang, Q.Edward, Inventing China Through History. The May Fourth Approach to Historiography, Albany, NY (State University of New York Press) 2001, (SUNY series in Chinese philosophy and culture), ISBN 0-7914-4732-4
- (en) Wang, Q.Edward, 'Between Marxism and Nationalism. Chinese historiography and the Soviet influence, 1949-1963, in: The journal of contemporary China 9 (2000), pp 95–112.
- (en) Wang, Q.Edward, 'Beyond East and West. A critical comment on the development of modern Chinese historiography' in: Storia della storiografia, 47 (2005), pp. 49–55.
- (en) Wang, Q.Edward, "Historical Writings in 20th Century China. Methodological Innovation and Ideological Influence", in: Torstendahl, Rolf (ed.), An Assessment of Twentieth-century Historiography. Professionalism, Methodologies, Writings, Stockholm (Kungl. Vitterhets Historie och Antikvitets Akademien) 2000, ISBN 91-7402-305-5, pp. 43–69.
- (en) Wang, Q.Edward, "Taiwan's search for national history. A trend in historiography", in: East Asian History, 24 (2002), pp. 93–116.
- (en) Wang Xuedian, "Fifty Years of Chinese Historiography" in: Chinese Studies in History, 45 (2011), pp. 7-69.
Wikiwand - on
Seamless Wikipedia browsing. On steroids.
Remove ads