Goed (Nederlands recht)

begrip in vermogensrecht (Nederland) / Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Het Nederlandse goederenrecht is een onderdeel van het vermogensrecht (in de zin van rechtsgebied). Een goed in juridische zin (meervoud goederen) wordt in Boek 3 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek gedefinieerd als een zaak of een vermogensrecht. Een belangrijk kenmerk van goederen is dat zij in beginsel overdraagbaar zijn, dat wil zeggen dat het rechtssubject dat tot een goed gerechtigd is dat goed aan een ander rechtssubject kan overdragen, bijvoorbeeld op grond van een koopovereenkomst of een schenking. Het gaat daarbij om de vatbaarheid van het object voor overdracht. Die vatbaarheid kan namelijk ook bestaan wanneer overdraagbaarheid, bij wijze van uitzondering, is uitgesloten.

De vraag wanneer een object vatbaar is voor overdracht, is niet eenvoudig. Voor vatbaarheid voor overdracht is vereist dat het object een eenheid vormt, maar die voorwaarde ligt al besloten in het woord 'object'. Met name is van belang dat het zeker niet om een stoffelijk object hoeft te gaan (het kan ook om een vermogensrecht gaan). Daarom kan bijvoorbeeld de vraag worden gesteld of een onderneming die in de vorm van een eenmanszaak is gegoten, vatbaar is voor overdracht. Alles wat tot die onderneming behoort is deel van het vermogen van de ondernemer/eigenaar, terwijl tegelijkertijd die onderneming vanuit maatschappelijk oogpunt als een eenheid wordt gezien. Die vraag wordt over het algemeen met 'nee' beantwoord.

Dat iets in maatschappelijke zin een eenheid vormt, is namelijk niet genoeg. Voor zaken geldt de wettelijke definitie van artikel 2: stoffelijke objecten die voor menselijke beheersing vatbaar zijn. In feite kan de eis van vatbaarheid voor menselijke beheersing aan alle goederen, dus ook aan vermogensrechten, worden gesteld. Het gaat om de vraag of het object op een zodanige wijze kan worden aangeduid dat transacties mogelijk zijn met inachtneming van de eis van kenbaarheid voor derden. De bepaaldheidseis van art. 84 lid 2 wordt in dit verband ook van toepassing geacht op de levering. Het gaat om een voor derden kenbare macht jegens een bepaald object. Bij vermogensrechten wordt die macht vaak uitgedrukt door middel van een schriftelijk bewijs.

Die eis van kenbaarheid is in het goederenrecht erg belangrijk. Derden moeten op relatief eenvoudige wijze kunnen achterhalen wie welke rechten heeft ten aanzien van een goed. De werkelijkheid mag daarbij in beginsel niet in strijd zijn met de intuïtie. Dit is anders dan in het verbintenissenrecht, waar het gaat om de relatie tussen twee of meer bepaalde personen. Derden hoeven zich in beginsel niets aan te trekken van die relatie. Daarom kan elke vorm van onderneming probleemloos worden verkocht. Wat partijen hebben bedoeld, is vervolgens een kwestie die alleen tussen hen speelt.

Of die onderneming als eenheid kan worden overgedragen, is een totaal andere vraag. Een onderneming in de vorm van een eenmanszaak kan bijvoorbeeld waarschijnlijk niet aan de eis van kenbaarheid voor derden voldoen. Het is namelijk zo dat de objecten die voor de onderneming worden gebruikt niet met voldoende zekerheid zijn te onderscheiden van de overige objecten in het vermogen van de eigenaar. Die objecten zullen dus een voor een moeten worden aangeduid bij de overdracht. In de praktijk zal daarbij vrijwel altijd iets op schrift worden gesteld.

Samenvattend kan een object alleen een goed zijn wanneer de inhoud van die eenheid op zodanige wijze kan worden afgebakend dat wordt voldaan aan de eis van kenbaarheid voor derden. Concepten die maatschappelijk gezien bestaan, kunnen voor het goederenrecht soms te onbepaald zijn.