Van scheiding van kerk en staat is sprake wanneer de kerkelijke macht en staatkundige macht niet in dezelfde handen zijn en zij geen beslissende invloed op elkaar uitoefenen. Naar analogie kan dit begrip worden toegepast bij religies waar religieuze instituten geen "kerk" worden genoemd.

Scheiding van kerk en staat betekent in de praktijk dat de staat en de kerk (of andere religieuze instituten) ieder hun eigen zaken regelen en zich niet met elkaar bemoeien of elkaar de regels voorschrijven. Het gaat bij deze vormgeving van de scheiding dus in de eerste plaats om het organisatorisch en bestuurlijk gescheiden houden van deze twee grootheden. De overheidsdienaren bemoeien zich niet met de kerk en de dienaren van de kerk bemoeien zich niet met de staat. De theorie is sinds de 19e eeuw in mindere of meerdere mate wereldwijd in praktijk gebracht. Kerk en staat zijn gescheiden, maar geloof en politiek niet, want er is over en weer regelmatig overleg tussen kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en politici en er vindt dus kruisbestuiving plaats tussen kerkelijke overheden en burgerlijke overheden, door de invloed die politici en kerkbestuurders daar op hebben.

Er zijn verschillende uitwerkingen van dit beginsel te vinden:[1]

  • Secularisme of Laïcisme, zoals in Frankrijk en Portugal, waar een diepgaande scheiding van kerk en staat bestaat, oftewel exclusief neutraal; op scholen wordt geen godsdienstles gegeven, religieuze attributen en symbolen zijn in de publieke ruimte verboden en vrijzinnigheid geniet een grote mate van bescherming.
  • Coöperatie tussen kerk en staat, zoals in Nederland, België, Duitsland en Spanje; de staat stelt zich inclusief neutraal, of compenserend neutraal op ten opzichte van geloven.
  • Staatsgodsdienst, zoals in Denemarken en Engeland, waar de staat privileges aan een bepaalde kerk ter beschikking stelt en bepaalde geestelijken benoemt, terwijl de kerk een deel van de afgevaardigden van het huis in de regering benoemt.