Top Qs
Timeline
Chat
Perspective
hebben
From Wiktionary, the free dictionary
Remove ads
Dutch
Etymology
From Middle Dutch hebben, from Old Dutch hebben, from Proto-West Germanic *habbjan, from Proto-Germanic *habjaną, from Proto-Indo-European *keh₂p- (“to grasp”).
Pronunciation
Verb
hebben
- (transitive) to have, to possess, own, hold
- Synonym: bezitten
- Hebt u een minuut? ― Do you have a minute?
- (transitive, medicine) to be afflicted with a disease
- Ik heb griep. ― I have the flu.
- (auxiliary) Used to form the perfect tense of the active voice of most verbs, together with a past participle.
- Ik heb het koekje opgegeten. ― I have eaten the biscuit.
- Ze hadden hun auto net gewassen. ― They had only just washed their car.
- Hij heeft naar huis moeten lopen. ― He has had to walk home.
- Ik heb hem horen praten. ― I have heard him speak.
- Dat had je moeten doen. ― You should have done that.
- (auxiliary, with te) must, to be obliged to, to be to
- Synonym: moeten
- Daar hebben we ons bij neer te leggen. ― We must accept that.
Conjugation
Derived terms
adjectives
nouns
- hebbeding
- hebben en houden
- hebberd
- machthebber
verbs
- aanhebben
- afhebben
- beethebben
- behebben
- bijeenhebben
- bijhebben
- binnenhebben
- boter op zijn hoofd hebben
- de wijsheid in pacht hebben
- dichthebben
- doorhebben
- een appeltje te schillen hebben
- een bord voor zijn kop hebben
- een plaat voor zijn kop hebben
- een vinger in de pap hebben
- geen boodschap hebben aan
- geen hoge pet op hebben van
- geen idee hebben
- gehebben
- graag hebben
- haar op zijn tanden hebben
- herhebben
- het hebben over
- het rijk alleen hebben
- in de melk te brokkelen hebben
- inhebben
- kaas gegeten hebben
- klaarhebben
- medehebben
- meehebben
- mishebben
- omhebben
- onderhebben
- ophebben
- overhebben
- tegenhebben
- terughebben
- toehebben
- tuk hebben
- uithebben
- vasthebben
- verhebben
- voeten in de aarde hebben
- voorhebben
- vooruithebben
- wederhebben
- wederomhebben
- weerhebben
- weeromhebben
- weghebben
- woorden hebben
Descendants
Remove ads
Low German
Alternative forms
- hewwen
Etymology
From Old Saxon hebbian, from Proto-West Germanic *habbjan, from Proto-Germanic *habjaną, from Proto-Indo-European *keh₂p- (“to grasp”). Compare Dutch hebben, German haben, West Frisian hawwe, English have, Danish have.
Verb
hebben (third-person singular simple present hett, past tense harr, past participle hatt, auxiliary verb hebben)
- to have
Conjugation
Note: This conjugation is one of many.
Neither its grammar nor spelling apply to all dialects.
Remove ads
Middle Dutch
Etymology
From Old Dutch hebben, from Proto-West Germanic *habbjan, from Proto-Germanic *habjaną.
Pronunciation
Verb
hebben
- to have
Descendants
Further reading
- “hebben (II)”, in Vroegmiddelnederlands Woordenboek, 2000
- Verwijs, E.; Verdam, J. (1885–1929), “hebben”, in Middelnederlandsch Woordenboek, The Hague: Martinus Nijhoff, →ISBN
Remove ads
Old Dutch
Etymology
From Proto-West Germanic *habbjan, from Proto-Germanic *habjaną, from Proto-Indo-European *keh₂p- (“to grasp”).
Verb
hebben
- to have
Inflection
Descendants
Further reading
- “hebben”, in Oudnederlands Woordenboek, 2012
Old English
Pronunciation
Verb
hebben
Wikiwand - on
Seamless Wikipedia browsing. On steroids.
Remove ads