Canon van de Bijbel

bijbelse boeken die als doctrinaire autoriteit worden beschouwd / Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

De canon van de Bijbel is een lijst van boeken die als doctrinaire autoriteit worden beschouwd binnen het christendom. De canon van het protestantse christendom omvat zowel de (gewoonlijk) 39[1] boeken die binnen het jodendom als canon worden beschouwd - de zogenaamde Hebreeuwse Bijbel, ook wel Tenach en binnen het christendom Oude Testament genoemd - als de (gewoonlijk) 27 boeken van het Nieuwe Testament. Het woord "canon" stamt via het Griekse κανών (kanoon: richtsnoer, maatstaf) uit het Hebreeuws: קנה (kaneh: een standaard maat).

Deel van een serie artikelen over het
christendom
Pijlers
Christelijke feesten

Portaal   Christendom

Dit vindt zijn oorsprong in wat de joden tijdens de eeuwen rond het begin van de christelijke jaartelling als gezaghebbende boeken beschouwden.

In de Griekse vertaling van de joodse of Hebreeuwse Bijbel (de Septuagint) die omstreeks 150 v.Chr. verscheen staan meer boeken dan in de canon, zoals die gaandeweg groeide. De rabbijnen van Jamnia hebben waarschijnlijk niet een canon opgesteld, maar een canon bevestigd die reeds gegroeid was.
Men stelde de volgende criteria:

  1. Er moest een Hebreeuwse tekst beschikbaar zijn.
  2. Ezra moet het boek hebben geaccepteerd.

Bij 1: Van het afgewezen boek Wijsheid van Jezus Sirach beschikken we over 2/3 van de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst. We beschikken over snippers van de Hebreeuwse tekst van Tobit en Judit. 1 Makkabeeën zal ook in het Hebreeuws geschreven zijn, maar alleen de Griekse tekst is nog behouden. 2 Makkabeeën, Wijsheid van Salomo en de aanvullingen op Daniël en Ester zijn in het Grieks opgesteld. Bij 2: Wijsheid van Jezus Sirach, en de boeken van de Makkabeeën kunnen gezien de datering in de tweede eeuw die ze zelf geven, nooit bij Ezra bekend zijn geweest. Tegenwoordig wordt dat van sommige canonieke boeken, zoals Prediker echter ook in twijfel getrokken.

Tegenwoordig wordt de historiciteit van een synode van Jamnia die rond AD 100 over de Hebreeuwse canon zou hebben beslist, betwist. Waarschijnlijk was al lang duidelijk welke boeken men op wilde nemen, en is gesproken over waarom en niet over of een bepaald boek moest worden opgenomen.[2][3]

Aanvankelijk volgden de christenen de Septuagint als gezaghebbende bundel. Hiëronymus van Stridon nam naast Oude Testament en Nieuwe Testament op aandrang van Augustinus van Hippo en de Paus ook de door hem deuterocanoniek ('in tweede instantie aan de canon toegevoegd') genoemde boeken op. Het concilie van Trente stelde vast dat de Vulgaat samenviel met de rooms-katholieke canon. De Hervormers echter stelden het Oude Testament gelijk aan de Hebreeuwse canon. Verschillen tussen de canon van Katholiek en protestant zijn er uitsluitend over het Oude Testament.

Wat betreft de canon van het Nieuwe Testament bestaat binnen de christelijke kerken geen verschil van mening. Deze canon kreeg een officieel karakter in de Paasbrief van de Alexandrijnse bisschop Athanasius in 367, waarin deze de 27 boeken van het Nieuwe Testament als gezaghebbend voor de christelijke kerk aanmerkte. Latere concilies hebben dit steeds bevestigd.

De boeken die uiteindelijk niet tot de canon gerekend worden staan bekend als apocrief.